Men wandelt. Niemand is ziek of misvormd. Er zijn geen blinden.
Niemand staart, niemand huilt. Men groet elkaar aardig. Er is kou noch hitte. De lucht is blauw. Niemand veroudert of sterft, er zijn vrijwel geen geboorten en er is geen verleden. Het is nú, eeuwig. Er is geen ongeluk of pijn.
Men slentert als in een dorp van vroeger, maar zonder achterklap of argwaan. Er is geen ontrouw.
Misdaad, woordbreuk en bedrog zijn verdwenen, en er is geen reden voor afgunst. Men hoort geen scheldwoorden meer want geld is overbodig, evenals liefde. De jacht op liefde is afgesloten.
Er is geen angst. Ook is er geen bacterie meer die verontrust.
Er was nog maar één ziekenhuis, maar dat stond leeg en onbeheerd. Er waren vage plannen er een museum van te maken, maar een passende geschiedschrijving ontbrak. Er werd nergens geschreven, en muziek verzonk tot lege drieklanken uit een polsontvanger kleiner dan een horloge.
Op een avond in september 2063 ontstond er waarachtig toch iets dat men een soort consternatie zou kunnen noemen. Enkele inwoners bespraken het op de hoek van een straat, bezorgd als in betere eeuwen.
Theodicee [fragment]
____
