Op een dag, terwijl hij met wachtmeester Slama onderweg was met het wagentje – ze reden naar Bloty – , begon hij te vertellen. Het beklemde hem. Hij moest praten – en er was wijd en zijd geen mens, alleen wachtmeester Slama. Tegen wie moest hij praten? Een mens moet tegen een mens praten.
Dus vertelde de ijkmeester de wachtmeester zijn verhaal. Hij vertelde dat hij tot op het moment waarop hij Euphemia leerde kennen, helemaal niet geweten had wat het leven inhield. En hij vertelde de wachtmeester ook over het bedrog van zijn vrouw met de klerk Josef Nowak.
De wachtmeester der gendarmerie was een heel eenvoudig mens. Maar hij begreep alles wat Eibenschütz hem vertelde, en ten teken dat hij het begreep, nam hij zijn punthelm af, alsof hij blootshoofds vertrouwenwekkender met zijn hoofd kon knikken.
Eibenschütz voelde zich bijzonder opgelucht nadat hij zijn hele verhaal had verteld. Hij werd ronduit vrolijk; en hij was zo treurig.
Wachtmeester Slama schoot niets te binnen, maar hij besefte dat hij iets vrolijks moest zeggen, en dus zei hij eenvoudig en eerlijk: ‘Dat zou ik niet uithouden!’
Hij wilde Eibenschütz troosten, maar hij maakte hem alleen maar treuriger.
‘Ook ik,’ begon Slama, ‘ben bedrogen. Mijn vrouw heeft zich – dit in vertrouwen gezegd – afgegeven met de zoon van het districtshoofd. Ze is bij de bevalling gestorven.’
Eibenschütz, die door de hele geschiedenis niet geraakt werd, zei alleen: ‘Erg treurig!’ Hem bekommerde zijn eigen lot. Wat kon hem de gestorven mevrouw Slama schelen?
Maar de wachtmeester, eenmaal aan de praat en met opengereten en bloedend hart, bleef maar over zijn vrouw berichten. ‘Terwijl we toch,’ zei hij, ‘twaalf jaar getrouwd waren. En denkt u zich eens in, het was niet eens een man met wie ze mij bedrogen heeft. Het was een jongen, de zoon van het districtshoofd, hij was cadet.’ En alsof dat een speciale betekenis had, liet hij er na een poosje op volgen: ‘Een cadet van de cavalerie uit Weisskirchen in Moravië.’
Eibenschütz luisterde allang niet meer. Maar het deed hem goed dat er naast hem iemand zat te praten, net zoals het een mens soms goeddoet wanneer het regent, en ook de taal die de regen spreekt is niet te verstaan.
Ze hoefden in Bloty maar één winkel te bezoeken, de melkslijter en herbergier Broczyner, maar ze bleven er de hele dag. Ze troffen bij Broczyner in totaal vijf valse pondgewichten aan. Ze deden aangifte tegen Broczyner. Daarna gingen ze naar de herberg, naar diezelfde Broczyner.
uit: Het valse gewicht : de geschiedenis van een ijkmeester - Joseph Roth

____