als jij maar binnen mijn lichaam ligt
ik kus mijn boeken voor het venster
nu je achter mij slaapt in bed.
De ogen waarmee ik vorm daar raad
nog rood en mijn bloed nog prikkend
in alle poriën van mijn handen.
Als een bandjir stroomde mijn lichaam
nu kalmeer ik boven witte bladen
koel op mijn ogen geur van drukinkt
onhoorbare strijkstokken je adem
mijn leeftocht voor een nieuw bestaan.
Heb je mij dan lief, dat je
telkens als een duif terugkeert
op de til van mijn hart.
En marge, 1
____
