Ik zwierf rond. Ik was onderweg. Ik was op de straten en pleinen. Ik voel overal op. Ik had geen doel. Ik ging midden op de markt staan. Ik was nutteloos; dat beviel me. Ik had er plezier in op de markt te staan. Simpelweg dat. Ik had niets aan te bieden. Niet eens mezelf. Ik kocht niets. Ik wilde niet meedoen. Ik verachtte hen. Ik kende de koersen niet. Ik vroeg niet naar de prijs.
Ik liep opzettelijk gebogen. Ik wenste mezelf een bochel toe. Ik wilde uitgestoten zijn. Ze moesten het zien. Ze zagen het. Ik hoorde hen en hoorde hen niet. Ze jouwden me na. Ze hoonden, schiet op, haal het ziekenfondsbriefje om je haar te laten knippen. Ik was niet in een ziekenfonds; ik was er trots op niet in een fonds te zijn. Het raakte me niet. Ze schreeuwden, pagekop, pagekop. Het haar tot aan mijn schouders stond voor mij voor een betere wereld. Ik trok mijn schoenen uit, knoopte ze aan elkaar, hing ze over mijn schouder, ging barrevoets verder.
Zo voelde ik de stad. Ze was onder mijn voet. Ze was hard en koud. De anderen merkten het niet. Velen hielden van laarzen. Ze marcheerden graag. Ze hadden de oorlog verloren. Ze konden de nederlaag niet verkroppen en ze haatten de republiek. Ze zeiden, als we de dienstplicht maar hadden. Ze riepen, er van langs geven. Ze knepen de ogen dicht. Ze hoopten mij in stukken te scheuren. Ze hadden allen slechts een gezicht.
Ik was niet bedroefd. Ik amuseerde me. Ik was de ridder van de droevige figuur. Dat was grappig. Ik verlangde naar plezier. Ik wilde het bont maken. Ik vond hen komisch, hoe zij de ogen dichtknepen, het voorhoofd streng fronsten, de ijzeren tijd van de oorlog bezwoeren en de doden hadden vergeten. Ik paste er voor te lachen. Ik dacht aan de dodenakkers, aan de overwinningen die wij gevierd hadden.
Ik gedroeg me verdacht. Ik sloeg de astrakan kraag van mijn jas omhoog. De jas was lang als een kaftan. Ik had lang naar hem moeten zoeken. Ik trok een Russische kiel aan, sloot hem om mijn hals. Ik drukte de brede bovenaardse hoed van een dorpspastoor diep over mijn ogen. Als ik een hoed opzette.
Een kind op een donkere trap; het nam mijn hand, fluisterde eerwaarde. Ik was Raskolnikow. Ik was een van de boze geesten. Die uit de kelderwoning. Die uit het dodenhuis. Ik had onder de galg gestaan. De bode was nog eenmaal gekomen. Gratie. De strop hing slap.
Ik stak de stad aan. Erdmanns warenhuis brandde. Een fakkel in de nacht. Het stadhuis brandde. Mijn geboortebewijs verbrandde mee. Dat was goed. In lichterlaaie stond het gerechtsgebouw. Ik opende de gevangenis. Ik verdeelde de goederen uit de winkels onder de armen en de bevrijde gevangenen. Uit Buggenhagens boekhandel kreeg iedereen een boek. Het geld van de spaarbank op straat. Kinderen speelden met de biljetten, maakten bootjes, zetten ze in de goot.
Mischien hield ik van de stad. Ik zette haar op haar kop. Ik vernietigde haar orde. Ik verstoorde het feest.
In mijn stad was ik alleen [fragment]
____
