maandag 7 september 2009

Schil en vrucht, bolster en pit

In de dialectiek zijn these en antithese beide objectieve feiten en de noodzaak tot een oplossing of synthese te komen vloeit voort uit het bestaan van een werkelijke tegenstelling. Maar ‘klassiek’ en ‘romantisch’ vormen in die zin geen tegenstelling. Veeleer komen zij overeen met schil en vrucht, bolster en pit. Er is een beginsel van leven, schepping, bevrijding en dat is de romantische benadering; er is een beginsel van ordening, beheersing en onderdrukking en dat is de klassieke benadering. Natuurlijk heeft dit laatste beginsel een soort doel – de instinctieve krachten worden vervormd in het belang van een bepaald ideaal of waardenstelsel, maar bij onderzoek blijkt dit altijd te gebeuren ter handhaving van een bepaalde maatschappijstructuur, ter continuering van de overheersing van een bepaalde klasse. De romantiek gelijk te stellen met opstandigheid, zoals Grierson doet, is juist als historische generalisatie, maar het vertekent de waarden waar het om gaat als die opstandigheid alleen in literaire of academische zin wordt opgevat. Het is veel dichter bij de waarheid om de romantiek te identificeren met de kunstenaar en het classicisme met de samenleving, aangezien het classicisme de politieke kunstopvatting is waaraan de kunstenaar geacht wordt zich te conformeren.
Ik zal onmiddellijk alle kritische opmerkingen waarin wordt gesteld dat de kunstenaar in deze uiteenzetting niet meer is dan een individu in conflict met de samenleving, trachten te voorkomen. Tot op zekere hoogte is dit waar, zoals ik elders reeds heb aangetoond. De persoonlijkheid van de kunstenaar kan bepaald zijn door zijn onvermogen zich maatschappelijk aan te passen. Maar zijn hele streven is gericht op een verzoening met de maatschappij en wat hij de maatschappij biedt is niet een verzameling kunstjes, idiosyncratische ideeën, maar juist een inzicht in de geheimen die voor hem toegankelijk zijn, de geheimen van het zelf die in elk mens begraven liggen en die alleen de sensibiliteit van de kunstenaar aan ons kan openbaren in al hun actuele geldigheid. Dit ‘zelf’ is niet het persoonlijke bezit dat wij het achten te zijn; het bestaat voornamelijk uit elementen van het onderbewuste, en hoe meer wij over het onbewuste te weten komen, hoe collectiever dat lijkt te zijn – inderdaad ‘een bestand van gemeenschappelijke gevoelens en gedachten (…) universele waarheden’ zoals dat waarvan Grierson de uitdrukking uitsluitend aan de klassieke kunstenaar voorbehouden acht. Maar terwijl de universele waarheden van het classicisme mogelijk niet meer zijn dan de vergankelijke vooroordelen van een tijdperk, houden de universele waarden van de romantiek gelijke tred met de voortschrijdende ontwikkeling van het menselijke bewustzijn.
In deze zin is het surrealisme dus een nieuwe bevestiging van het romantisch principe. En hoewel dichters en schilders uit alle eeuwen zich hebben vastgeklampt aan een geloof in het geïnspireerde en obsederende karakter van hun talent en bijgevolg in hun handelen, zo niet in woorden, het strikte keurslijf van de klassieke theorie logenstraften, verkeren zij nu pas in een positie om met behulp van de moderne dialectiek en de moderen psychologie, in naam van Marx en Freud, hun geloof en praktijk op een wetenschappelijke basis te schoeien en daardoor een permanente bevrijdende creatieve activiteit te ontplooien waarvan de enige wetten de wetten van haar eigen dynamiek zijn.

Surrealisme en het romantisch principe [fragment]
uit: Filosofie van de moderne kunst - Herbert Read

____