maandag 21 september 2009

Twee aangrenzende banen

We zwemmen in twee aangrenzende banen, en zodra ik haar voorbij zie komen, vertraag ik, ik wil haar laten winnen, zoals vroeger, op vakantie, toen ik klein was en haar kwalijk nam dat ze won. Ik hijg als een os, ik zeg tegen haar dat ik niet meer kan na al die baantjes, ik ben uitgeput, en ik klamp me vast aan de kant terwijl zij heen en weer blijft gaan om het lijf strak te houden, trots dat ze veel langer kan zwemmen dan ik. Ze gaat op haar rug liggen en strekt haar armen ver achter zich. Wanneer ze stopt wil ik graag dat ze weer begint, dus vraag ik haar te laten zien hoe je op je rug moet zwemmen, ze legt me de methode uit, de vlieg is in slaap gevallen, mijn moeder vraagt me te volgen, hetzelfde te doen als zij. Ik doe hetzelfde als jij, maar minder goed. Zo, je armen goed naar achteren strekken en je oren in het water houden, onder water, niet je hoofd uit het water tillen, je moet je adem erin horen, nu weet je het. Nee, mama, ik weet niets. Rondom haar knieën zitten bliksemschichtjes, en op haar kuiten onopvallende gesprongen adertjes als kleine strafjes, die zich daar hebben opgehoopt, en die elke keer het voortgaan zwaar maken. Geen groot drama, geen echte kwelling, en toch laat de wind in haar hoofd haar nooit met rust. Sinds ik het huis uit ben, ziet ze de tijd voorbijgaan en weet niet meer wat er nog te doen valt. Vaak zegt ze tegen mijn vader dat het over tien jaar afgelopen zal zijn. Alles. Zij tweeën. Het leven. Om haar aan het huilen te brengen vraagt hij waarom tien jaar, en voegt eraan toe Misschien nu al.

Mijn vader is niet slecht, mama [fragment]
uit: Insect - Claire Castillon

____