Voor hem, en voor vele andere eilanders, is Sint Helena een plek ‘met maar één ingang, en geen uitgang’. En inderdaad, het voelt ook als een ingang – je loopt 50 meter langs de kade en daarna richting binnenland, over een smalle brug over de droge slotgracht en door een poort met een valhek in de drieënhalve meter dikke stadsmuur. Daarbinnen, tot verbazing van iedereen die voor het eerst in deze unieke zeestad komt, is het de achttiende eeuw, door gelukkig toeval tot in detail bewaard gebleven.
Een bezoeker zag voor het eerst de markt die Lower Parade heet en schreef: ‘In zijn geheel overgebracht uit Tunbridge Wells.’ ‘Een mooie boom in het midden… maar nog altijd de hoofdstad van een tweedeklas bunkerhaven,’ zei een andere, minder aardige, bezoeker aan het eind van de eeuw. ‘… de stad lijkt op St. Peter Port, de hoofdstad van Guersney…’ volgens Mrs. E.L. Jackson, een paar jaar later.
Twee rijen Regencyhuizen, voornaam, geverfd in heldere kleuren, met ijvervlechtwerk en schuiframen, kijken elkaar in de hoofdstraat aan. Aan de markt staat een kasteel – witgekalkte stenen muren met het wapen van de Honourable East India Company in rood, wit en zilver, rond een klein binnenhof met schaduw gevende bomen en kinderkopjes en versleten stenen trappen die leiden naar de oude burelen van de huidige gouverneur. Er zijn binnenplaatsen, en een bibliotheek, en een fraai aangelegd, vrij toegankelijk park met heilige Indische vijgenbomen die door de brigantijnen van Jan Compagnie uit Hindoestan zijn ingevoerd toen zij het eiland aandeden om te ravitailleren, of door oorlogsschepen op de terugweg van India, die water kwamen innemen en kolen kwamen bunkeren.
Boven het park langs een kronkelpad – gouverneur Patten liet het aanleggen voor zijn twee dochters, aan het begin van de vorige eeuw, en het wordt nu de Sisters’ Walk genoemd. Dit was waarschijnlijk het eerste wat de beroemdste inwoner van het eiland, Napoleon, van het eiland te zien kreeg en het ligt ten grondslag aan het verhaal van enig belang – zoals zoveel in een stad die, in de woorden van de Zuid-Afrikaanse schrijver Lawrence Green, ‘meer stevige brokken geschiedenis heeft opgeleverd dan welk andere Britse koloniale stad dan ook’.
Napoleon was op de avond van 17 oktober 1815 aangekomen om zijn ballingschap te beginnen (een verbluft Sint Helena had pas een paar dagen eerder vernomen dat de verslagen keizer op het eiland zou worden vastgehouden, toen hij en zijn gevolg van zevenentwintig Franse mannen en vrouwen nog slechts op een paar dagen zeilen van het eiland verwijderd waren). De Royal Navy – de keizer was vanuit Plymouth aan boord van HMS Northumberland vervoerd – besloot hem ’s nachts aan land te brengen, om te voorkomen dat het zwart van de mensen zou staan. Sir George Cockburn, wiens vlag de Northumberland op deze schitterend imperialistische reis in top had, besloot de keizer te huisvesten – voor deze ene nacht, tenminste – in een mooi georgiaans huis aan het park, waar de regeringsbotanicus, ene Mr. Porteous, zijn karige loon van de India Office wat aanvulde door kamers te verhuren.
Maar er was een toevallige samenloop van omstandigheden, hoewel wij niet weten of Napoleon het die nacht te horen kreeg en of hij er slechter door sliep. Het bleek dat Mr. Porteous de kamer die hij nu aan Bonaparte toewees, enkele maanden eerder verhuurd had aan de man die de keizer bij Waterloo in de pan had gehakt – Arthur Wellesley, de Eerste Hertog van Wellington.
Enkele maanden na de aankomst van Napoleon – die tegen die tijd een zeer fraai herenhuis in het koele binnenland had betrokken – hoorde Wellington van deze toevalligheid en schreef een brief aan admiraal Malcolm, toen commandant van het garnizoen op de rots van ballingschap. En nog sterker, toen Wellington die brief schreef, deed hij dat vanuit Parijs.
‘U kunt “Bony” zeggen,’ spotte de IJzeren Hertog, ‘dat ik zijn verblijven in het Elisée Bourbon zeer comfortabel vind en dat ik hoop dat hij de mijne (op Sint Helena) ook waardeert… Het is wel een heel komisch vervolg op de gang van zaken in Europa dat wij van residentie hebben geruild…’
