De rivier lag er maar honderd meter vandaan en tussen het ziekenhuis en de rivier stonden veel berkenbomen, maar je kon de rivier wel zien. De kamers hadden allemaal ramen op het zuiden.
Toevallig kregen Josefina en Alfild hun kind op dezelfde dag. De één ongeveer vijf uur eerder, zo werd gezegd. En ze lagen op dezelfde zaal.
Het was een mooi najaar, de bladeren waren geel en zaten nog aan de bomen, er lag nog geen sneeuw op. De volgende ochtend was mevrouw Sternberg, de vroedvrouw, zaal nummer twee binnengekomen met twee baby’s in haar armen. Twee jongetjes. Ze had veel haast gehad, maar was in een uitstekend humeur geweest. En ze had op haar gekscherende, wat scherpe toon, die soms verkeerd uitgelegd werd, gezegd dat het etenstijd was.
En van wie was deze hier nou?
Later zei men dat dit de grote ramp van haar leven was geworden, en dat ze die met zich had meegedragen tot in haar graf en dat ze nooit meer helemaal zichzelf was geworden; er werden trouwens nog meer nare dingen gezegd. De mensen herinnerden zich haar voornamelijk om haar rampspoed. Maar toen was ze in de eerste plaats gekscherend geweest. Later, toen het geval bekend werd en het nieuws zich door Zweden verspreidde, eerst in kleine kringen binnen de gemeente, daarna in al grotere en grotere, tot de zaak als een machtige golf Stockholm en de krantenlezende mensen daar bereikte; naderhand vroeg iedereen zich af hoe dit ooit had kunnen gebeuren. ‘Dit was een vraag die iedereen bezighield. Niet hoe het gebeurd was, als het al gebeurd was, maar of ik wel een echt mens was.
En zo ja: wie.
De later niet erg geliefde vroedvrouw kwam binnen en vroeg welk kind bij wie hoorde.
En Alfild Hedman wees; toentertijd wees ze meestal, omdat er iets onverklaarbaars met haar stem gebeurd was. En natuurlijk kende je je eigen kind. En zo kreeg zij Johannes.
En dat bleef zo tot dat duizelingwekkende moment, toen tante Hanna plotseling, terwijl ze net als de anderen in het bedehuis niet zat te luisteren naar Rosenius en de damp uit haar mond kwam en ze gadegeslagen werd door de Kindervriend op het schilderij met een stukje uit de lijst, toen ze plotseling de twee jongetjes had gefixeerd en zich de vraag had gesteld of er geen sprake was geweest van een verwisseling.
En de volgende dag was ze deze vraag hardop gaan stellen. Zo was het begonnen.
Waarom was het nodig geweest? Zo was het toch ook goed.
____
