vrijdag 9 oktober 2009

Gemeenschapszin

Rorty wenst af te stappen van [de] opvatting, die de geest als een spiegel voor de natuur beschouwt. Voor hem dient het binnen de filosofie niet langer te gaan om confrontatie, maar om conversatie. Kennis zou voortaan een zaak van conversatie en van sociale praktijk moeten worden, in plaats van een reeks pogingen om de natuur, het wezen van de dingen te weerspiegelen. Bij die conversatie kan niemand nog optreden als een soort hoogste rechter: er bestaat niet langer een metapraktijk van waaruit alle mogelijke vormen van sociale praktijk bekritiseerbaar zijn. De queeste naar zekerheid sterft hier dan ook een zachte dood, en de filosoof kan waarheid niet langer zien als contact met de realiteit. Voortaan kan waarheid gedefinieerd worden als datgene wat goed is voor ons – een definitie waarmee Rorty zich binnen de traditie van het pragmatisme plaatst.

*

Omdat het pragmatisme, in Rorty’s interpretatie, de traditionele, naar de exacte wetenschappen gemodelleerde denkcategorieën achter zich laat, komt het veel dichter bij een manier van denken die literair te noemen is. Zoals we dat met literatuur doen, zo gaan we ook de mensen om ons heen leren interpreteren, om op die wijze onze gemeenschapszin te kunnen vergroten. Antropologen hebben het mogelijk gemaakt dat we meer vertrouwd raakten met mensen die ons oorspronkelijk vreemd voorkwamen. Sociologen hebben hetzelfde gedaan voor minderheden en psychologen voor allerhande excentriekelingen.

*

Het enige dat ons te doen staat is tolerant zijn tegenover de eigen ambiguïteit en een willig oor verlenen aan onze neigingen tot instabiliteit, door deze te interpreteren als alternatieve zingevingen aan het verleden. Volwassenheid – zo laat Rorty een tikkeltje pedant horen – betekent in deze optiek dan ook niets anders dan het vermogen om een ironische kijk te hebben op jezelf.
In plaats van dat men ‘zich bekommert om het zelf als centrum of om de eigen essentie, gaat het er dan vooral om de eigen horizon te verbreden. ‘Het verlangen om het eigen ik te verruimen is het verlangen om steeds meer mogelijkheden in zich op te nemen, permanent te leren, om zich over te geven aan nieuwsgierigheid en om ten slotte alle mogelijkheden uit verleden en toekomst onder ogen te hebben gezien.

*

Rorty’s bekommernis om het verborgen kamertje van de ironicus is dus een tikkeltje overdreven. In het ergste geval zou dit zelfs antidemocratische resultaten kunnen opleveren, omdat de intellectueel zich dan misschien niet meer zou bekommeren om wat er zich buiten zijn werkkamer afspeelt. Het ‘systeem’, om die abstracte term te gebruiken, zou zich dan ongestoord verder kunnen ontwikkelen.
Niet toevallig werd deze kritiek al geformuleerd in het feministische kamp. Vrouwen hebben altijd de keerzijde kunnen aanvoelen van de scheiding tussen privé en publiek.

*

Je mag van [Rorty] de idylle van eindeloze verscheidenheid niet verwarren met wat de ‘multiculturele samenleving’ wordt genoemd. Die terminologie suggereert al te zeer een ethiek van leven en laten leven, waarbij iedereen zijn of haar cultuur behoudt en deze beschermt tegen andere. Rorty wijst dat soort radicale alteriteit of anders-zijn af, omdat daardoor ook het debat onmogelijk wordt gemaakt.

*

De genoemde Franse denkers [Lacan, Derrida, Lyotard] voorzien in dezelfde behoefte als de religie vroeger, vindt Rorty. Ze leveren ons namelijk omgekeerde eschatologieën, rationalisaties van hopeloosheid, en zadelen ons op met een seculier zondebesef. En dan moeten we maar boeten voor wat enkele eeuwen filosofie hebben aangericht.

*

Als rechts zegt dat het socialisme gefaald heeft en dat er geen alternatief bestaat voor het kapitalisme, dan staat cultureel links met de mond vol tanden. Wat de cultureel-linkse intellectuelen nog interesseert, is het ondermijnen van een bepaalde denkwijze – bijvoorbeeld het logocentrisme of de technocratische rationaliteit. Dit zijn denkwijzen die een uniformerend effect hebben op onze denk- en handelwijze, en die het ons dus niet toestaan om oog te hebben voor het verschil. Daarom worden nu op grote schaal academische richtingen in het leven geroepen als vrouwenstudies of homostudies. Mooi, vindt Rorty, maar waar blijven de werklozen- of daklozenstudies dan?

*

Friedrich Nietzsche, een van Rorty’s helden, zou raar hebben opgekeken als zijn Amerikaanse nazaat bij hem was komen aanzetten met de idee dat de mens in essentie geest is en de geest in essentie talig. Was het niet Nietzsche die sterk de nadruk legde op de formerende rol van het lichaam?
Ik ben het volkomen eens met Shusterman als hij zijn pijlen vooral richt op Rorty’s volkomen negeren van datgene wat de eerste de somatische ervaring noemt. Voor een filosofoof die de esthetisering centraal stelt, is zoiets onvergeeflijk. De esthetische ervaring is immers bij uitstek gelieerd aan onze lijfelijkheid. Rorty verschilt in die zin niet van de door hem verguisde rationalisten die de lijfelijke ervaring zonder al te veel omhaal in de ban deden. Vanuit die optiek blijft hij vastzitten in het door rationalisten gehanteerde dualisme tussen lichaam en geest – een van de meest hardnekkige bastions van het westerse metafysische denken.

[fragmenten]
uit: Ironie en solidariteit : een kennismaking met het werk van Richard Rorty - Marc Van den Bossche


____