‘Maar ik ben Ah Chow niet – ’ begon Ah Cho.
‘Houd je mond!’ was het antwoord. ‘Als je je mond nog eens opent, breek ik je hoofd.’
De opzichter bedreigde hem met toegeknepen vuist, en hij bleef stil. Wat gaf het protesteren? Die vreemde duivels deden toch altijd wat ze wilden. Hij liet zich vastbinden aan de verticale plank die even groot wat als zijn lichaam. Schemmer snoerde de gespen vast – zo vast, dat het leer in zijn vlees drong en pijn deed. Maar hij klaagde niet. De pijn zou niet lang duren. Hij voelde dat de plank horizontaal werd gelegd, en sloot de ogen. En in dat ogenblik zag hij een laatste glimp van de tuin van meditatie en rust. Hij leek in de tuin te zitten. Een verkoelende wind blies, en de klokjes in de verschillende bomen tingelden zachtjes. De vogels maakten slaperige geluiden, en over de hoge muur klonken de geluiden van het dorpsleven.
Toen werd hij gewaar dat de plank stil lag en en uit de druk op spieren en zenuwen wist hij dat hij op de rug lag. Hij opende zijn ogen. Recht boven hem zag hij het mes in het zonlicht glinsteren. Hij zag het gewicht, dat er aan was toegevoegd, en merkte dat een van Schemmer’s knopen los was. Toen hoorde hij een kort bevel van de sergeant. Ah Cho sloot haastig de ogen. Hij wilde het mes niet zien aankomen. Maar hij voelde het – voor een kort ogenblik. En in dat ogenblik herinnerde hij zich Cruchot en wat Cruchot gezegd had. Maar Cruchot had ongelijk. Het mes kriebelde niet. Zoveel wist hij voordat hij ophield te weten.
De Chinago [fragment]
____
