‘Wilt u in de huiskamer wachten, dokter Gordon komt zo bij u.’
Wat mij dwarszat was dat alles in het huis normaal scheen, hoewel ik wist dat het er stampvol gekken moest zitten. Er zaten voor zover ik kon zien geen tralies voor de ramen, en er klonken geen wilde of verontrustende geluiden. Zonlicht verdeelde zich over regelmatige rechthoeken op de uitgelopen maar zachte vloerkleden, en een vleugje versgemaaid gras verfriste de lucht.
Ik bleef op de drempel van de huiskamer staan.
Even dacht ik dat het een kopie was van de salon in een pension waar ik eens geweest was op een eiland voor de kust van Maine. De openslaande deuren lieten een verblindende schittering van wit licht door, een vleugelpiano nam de hoek tegenover mij in beslag, en er zaten mensen in zomerkleren in het rond aan speeltafels en in de topzware rieten fauteuils die je zo dikwijls aantreft in verloren badplaatsen.
Toen realiseerde ik me dat geen van de mensen bewoog.
Ik keek scherper, probeerde een aanwijzing te ontfutselen aan hun stramme poses. Ik onderscheidde mannen en vrouwen en jongens en meisjes die vast niet ouder waren dan ik, maar hun gezichten hadden iets eenvormigs, alsof ze lange tijd op een plank hadden gelegen, uit de zon, onder een ziftsel van fijn, bleek stof.
Toen zag ik dat sommigen van de mensen wel degelijk bewogen, maar met zulke kleine vogelgebaartjes dat ik het eerst niet had waargenomen.
Een man met een grauw gezicht telde een pak kaarten af: een, twee, drie, vier… Ik dacht dat hij keek of het spel compleet was, maar toen hij klaar was met tellen, begon hij weer opnieuw. Naast hem zat een dikke dame te spelen met een snoer van houten kralen. Ze schoof alle kralen naar een kant van het snoer. Dan liet ze ze tik, tik, tik, weer op elkaar vallen.
Aan de piano zat een jong meisje in wat muziek te bladeren, maar toen ze me zag kijken boog ze nijdig haar hoofd omlaag en scheurde de muziekbladen doormidden.
Mijn moeder raakte mijn arm aan, en ik volgde haar de kamer in.
We gingen zonder iets te zeggen op een plompe sofa zitten, die kraakte telkens wanneer je je verroerde.
Toen gleed mijn blik over de hoofden van de mensen heen naar de zee van groen licht achter de doorzichtige vitrage, en ik voelde me alsof ik in de etalage van een enorm warenhuis zat. De gestalten om me heen waren geen mensen maar modepoppen, opgeschilderd zodat ze op mensen leken en neergeplant in levensechte houdingen.
____
