Strikt genomen heeft metaal geen smaak; in de mond wordt het als disciplinair ervaren, als een ‘nee’ tegen andere smaken. Toen Richard Maple, na dertig jaar van pijnscheuten, scherpe randjes en af en toe het trekken van een kies, op al zijn overblijvende kiezen kronen had laten zetten en de gaten had laten opvullen door bruggen, voelde het goud kil aan tegen zijn wangen en de regelmatigheid van het geheel verhulde gaten en oneffenheden die een soort spiegel gevormd hadden waarin zijn tong zichzelf herkend had. Op de vrijdag waarop de laatste behandeling had plaatsgevonden ging hij naar een feestje. Terwijl hij een verscheidenheid aan vloeistoffen dronk die veelal hetzelfde smaakten, begon hij in plaats van iets minder dan zichzelf (zijn natuurlijke tanden waren tot stompjes tandbeen afgeslepen) iets meer dan zichzelf te voelen. De verandering van toonaard die iedere keer als hij zijn kaken sloot door zijn schedel trok, kwam misschien overeen met de verhoogde helderheid die de geest vevult na een religieuze bekering. Hij zag zijn metgezellen op het feest met een nieuwe glans – een scherpe visie die, als die van een camera, specifiek en beperkt in reikwijdte was. Hij kon slechts één persoon tegelijk zien, en merkte dat hij zich minder concentreerde op zijn vrouw Joan dan op Eleanor Dennis, de langbenige vrouw van een handelaar in gemeenteobligaties.
De smaak van metaal [fragment]
uit:
Musea, vrouwen, meisjes : verhalen - John Updike

____