Urenlang had hij gelopen. Alsof het lopen, zonder doel, hem hielp zijn hoofd vrij te maken van de verwarde, tegenstrijdige gedachten die in zijn hoofd rondtolden. Lopen deed hem ontzettend goed. Hij had het al veel te lang niet meer gedaan. Het trok in zijn kuiten, in zijn buik, tot in zijn schouders toe. Hij zou gelukkig kunnen zijn, net als ieder ander die zich al zwervend aan Marseille overgaf, als er in hem niet zo veel verdriet was geweest, verbittering, onzekerheid, woede. Hij was uitgekomen bij de ingang van de Jardin du Pharo. Hij glimlachte. Je kon deze stad in alle richtingen doorkruisen, verdwalen deed je er niet.
Hij beklom een van de paden. Boven aan de heuvel liep hij om het oude paleis van keizerin Joséphine heen. Hij wist niet waar het gebouw tegenwoordig voor diende. Eerlijk gezegd zou het hem worst wezen. Hij was hier voor het uitzicht op de haven, op de stad. Het was schitterend.
Hij liep een paar meter naar beneden en ging in het gras zitten, in de schaduw van een groep laurierbomen. De met geuren bezwangerde warmte deed weldadig aan.
Voor hem lag het Fort Saint-Jean, de oude commanderij van de hospitaalridders van Jeruzalem. Het licht leek zich te willen vermaken met de roze kleur van de stenen. Ze likte met net zo veel enthousiasme, met net zo veel plezier aan de geringste oneffenheid ervan als aan een frambozenijsje.
Daaronder lag de nauwe, vroeger strategische, ingang naar de Vieux-Port. Zodra ze er doorheen waren, voeren zeilschepen direct naar de rede. Met zijn blik volgde hij een van de pendelboten die leeg terugkeerde van de eilanden van Frioul en het Château d’If. Ze zou aan de kade gaan liggen, voor de Canebière, die hij slecht vaag kon onderscheiden.
Zijn blik gleed een stukje verder, links van het Fort Saint-Jean, naar de Cathédrale de la Major, aanstellerig byzantijns, pompeus, grauw en plomp, omringd door verkeerswegen, even onmogelijk als lelijk. Achter de kathedraal strekte de Port de la Joliette zich uit tot aan L’Estaque. De hijskranen en de loopkranen leken zich aan de hemel vast te grijpen. Er gebeurde niet veel. Alsof de hitte elke beweging had uitgebannen. Het elders had op dit ogenblik de kleur van de Sahara. Zijn onbeweeglijkheid. De geringste reisdroom ging liggen, als de wind, en loste op in de zandwoestijn.
In de verte, helemaal achteraan, vergeten aan het einde van de kaden, was de Aldébaran, die hij niet kon zien, onderworpen aan die onbeweeglijkheid. Dat was echter niet belangrijk meer. Van hieruit leek alles hem ineens onbeduidend. Traag dacht hij erover na, zonder zelfs maar moeite te doen die gedachten in zijn hoofd onder woorden te brengen.
Uit een zak haalde hij een broodje met tomaat, tonijn en olijven en begon te eten, ervoor oppassend dat de olie niet over zijn vingers liep. Kauwend liet hij zich overspoelen door het geluk dat, eenvoudig, onbegrijpelijk, neerdaalt van de hemel op de zee. Céphée geeft hem haar hand. Ze zijn zojuist getrouwd. Zwijgend lopen ze door de ruïnes van Byblos.
‘Als ik een geschiedenis heb, dan begint ze hier. Tussen deze ruïnes. Wanneer Byblos weer Jbaïl wordt.’
Hij vertelt haar over Jbaïl. De kleine, mediterrane haven van Fenicische herkomst. Een van de oudste steden ter wereld.
‘Volgens een oude legende stierf Adonis in de armen van Astarte, bij de bron van de rivier de Nahr Ibrahim. Zijn bloed liet anemonen ontspruiten en kleurde de rivier rood. De tranen van Astarte wekten Adonis weer tot leven, bevloeiden de aarde en maakten haar vruchtbaar… Mijn aarde.’
Céphée heeft zich tegen hem aangedrukt. Ze heeft haar gezicht naar het zijne, ze lacht, zoent hem op zijn wang.
‘Je hebt een mooi land.’
Hetzelfde gevoel van geluk stroomde van de hemel naar de zee. Hij had toen gedacht dat dit het was, de enige heerlijkheid van de mensheid. Het recht grenzeloos lief te hebben. Hij verlangde ernaar Céphée te omarmen zoals hij die dag had gedaan. Haar lief te hebben tussen de geuren van vijgen en jasmijn.
De herinneringen, de gedachten namen bezit van hem. Waarom zou hij niet teruggaan naar Byblos? Er gaan wonen. Samen met haar en de kinderen. Libanon werd weer opgebouwd, zoals zijn broer Walid voortdurend bleef herhalen. De toeristen zouden terugkeren en de handel zou verrijzen uit de as van de oorlog. Walid had het nodige om te investeren. Met of zonder hem, investeren zou hij. Dat had hij van zijn vader, die liefde voor zaken.
Hij opende een blikje bier en dronk gulzig. Waarom nam hij geen beslissing? Wat had hij te winnen op de zee, ver van degenen die hij liefhad? Welke vloek had hem getroffen, hem en zo veel anderen, dat hij de zin van het leven alleen ver van de over kon vinden?
uit: Eindpunt Marseille - Jean-Claude Izzo

____