donderdag 15 oktober 2009

Zich verenigen rond een idee

Tot ver in de twintigste eeuw zijn alle artistieke domeinen voorbehouden gebleven aan de gegoede ontwikkelde klassen, die zich niet alleen toelegden op het scheppen van werken maar daar ook duidelijke, vastomlijnde ideeën over ontwikkelden. Net zoals dat gold voor de taal, waren er in het centralistisch en absolutistisch geregeerde Frankrijk altijd instituten geweest die toezagen op het naleven van de regels die moesten leiden tot keurige, correcte kunst.
Het feit dat er na de strak georganiseerde maar vruchtbare tijd van de Zonnekoning tot aan de negentiende eeuw weinig spectaculairs gebeurde op het gebied van de poëzie, schilderkunst en muziek (een enkel loslopend genie daargelaten), heeft alles te maken met die verstikkende betutteling. Dat de roman in die twee eeuwen daarentegen wel een bloeitijd doormaakte, kwam door het feit dat dergelijk proza niet werd gerekend tot de hogere kunst en dus aan de controle ontsnapte – al moest men het niet te gek maken, zoals schrijvers als Diderot, Rousseau en De Sade aan den lijve ondervonden.
Na de Revolutie waren er door de vertegenwoordigers van de verschillende kunstvormen diverse pogingen ondernomen om zich te emanciperen, maar met de bekrompen koninklijke en keizerlijke regimes die elkaar in de loop van de negentiende eeuw afwisselden, bleek dat niet eenvoudig. De van hogerhand opgelegde censuur manifesteerde zich elk jaar weer met de Salon, de jaarlijkse van staatswege gehouden kunstexpositie, vernoemd naar de salon carré van het Louvre waar de gebeurtenis reeds onder Lodewijk XIV plaatsvond. Tot de Revolutie mochten uitsluitend leden van de Académie royale de Peinture en de Sculpture er hun doeken en beelden aanbieden, daarna een poosje iedereen die wat revolutionairs uit te beelden had en vanaf 1795 het soort kunstenaars dat de goedkeuring kon wegdragen van de Académie des Beaux-Arts de France. En dat waren niet de meest progressieve geesten. Vooral de romantici kregen het zwaar te verduren, maar verder eigenlijk eenieder die zondigde tegen de classicistische regels. De lijst van geweigerde maar door de geschiedenis tot meesterwerken uitgeroepen doeken is lang.
Ter stimulering van muzikaal talent bestond sinds 1803 de Prix de Rome, een prijs uitgeloofd door het Conservatoire de Paris om een jonge componist met een geheel verzorgd driejarig verblijf in Rome te belonen voor nieuw, oorspronkelijk werk. Op die oorspronkelijkheid viel helaas het een en ander af te dingen. De winnaars blonken over het algemeen uit door middelmatigheid, en de weinige originele talenten die naar de prijs wilden meedingen, werden meestal gepasseerd of bij voorbaat afgewezen.
Pas in 1905 kwam daar verandering in toen Gabriel Fauré aan het hoofd van het instituut werd gesteld na de zogenaamde affaire Ravel. De inmiddels al redelijk bekende componist Maurice Ravel was wegens ongewenste virtuositeit en vernieuwingsdrang tot viermaal toe door de jury genegeerd, wat leidde tot een storm van protesten, het aftreden van de directeur van het conservatorium en de hoognodige hervormingen.
Met al die reglementen en theoretische onderbouwingen waaraan de schone kunsten in Frankrijk eeuwenlang waren onderworpen, is het niet zo vreemd dat zelfs bij de tegen- en onderstromingen de neiging bestond hun scheppingen aan bepaalde ideeën te conformeren en te toetsen, al was het maar om ze te kunnen afzetten tegen de officiële leer. Dit betekende wel dat ook de vrije, tegendraadse kunst een behoorlijk intellectueel karakter kreeg en daarmee in hoge mate elitair was. Dat werd echter door niemand als een bezwaar ervaren, want wat er ook mocht zijn veranderd sinds de Revolutie, de klassenmaatschappij was nog intact. Het proletariaat kon op zijn best op enige sympathie en liefdadigheid rekenen maar vormde geen doelgroep voor de kunstenaars, die onveranderd uit de gegoede burgerij afkomstig waren. Zelfs Debussy, zoon van betrekkelijk eenvoudige winkeliers, was van mening dat ‘kunst volstrekt ongeschikt is voor het grauw’.
Schrijvers, schilders en componisten verenigden zich dan ook graag rond een idee of opvatting waarop ze dan elk hun eigen talent loslieten. Dat intellectuele fundament van hun creaties had voor- en nadelen. Het uitwisselen van opvattingen en theorieën kon heel stimulerend werken en leiden tot verkenningen van terreinen die anders misschien onontdekt zouden zijn gebleven.
Daar Mallarmés experimenten met vrije verzen en wilde associaties kwamen ongetwijfeld veel jonge dichters ertoe de klassieke regels los te laten en de poëzie op meer ongedwongen wijze te benaderen. De harmonische experimenten van Debussy lieten muzikale mogelijkheden horen die door de generaties na hem verder konden worden uitgewerkt. En het spel met licht, kleur en vorm van Monet en de zijnen maakten de weg vrij voor de moderne twintigste-eeuwse abstracte kunst.
Anderzijds kon de academische clubgeest ook dogmatisch en verstikkend zijn. Als overeengekomen voorschriften maar lang en consequent genoeg worden nageleefd, ontaarden ze gemakkelijk in maniërisme. Wie een uitgebreide overzichtstentoonstelling van de Franse impressionistische schilderkunst bezoekt, wordt na enige tijd toch overvallen door een zekere weeheid. Hoeveel picknickende burgers en buitenlui, wazige jongedames in bloementuinen, huppelende balletmeisjes en spelevarende jongelingen kan een mens verdragen?
Wat het latere kubisme betreft, een nog veel theoretischer reactie op het impressionisme, waarbij alle vormen werden gereduceerd tot geometrische figuren, zou een argeloze kunstanalfabeet zich kunnen afvragen waarom men het niet bij één of twee illustraties van het principe heeft gelaten. Paradoxaal genoeg leidt het verzet tegen de gevestigde instellingen soms tot nieuwe, al even starre instituten, zoals in de literatuur bijvoorbeeld de surrealisten en de existentialisten zouden bewijzen.

uit: De haan op de mesthoop : een culturele geschiedenis van Frankrijk - Jelle Noorman


____