Jazeker, ik raakte hem kwijt. Hij was niet meer de oude Saul Emory. Hij had zich een heel nieuw stelsel van regels, opvattingen, gemeenplaatsen en oordelen aangemeten; hij hoefde niet eens meer na te denken. In een bepaalde situatie hoefde hij alleen maar naar zijn gemakkelijke oplossingen te grijpen. Hij kon zijn godsdienst pakken en zich ermee omhullen als met zijn domineesmantel.
Toen ik van Selina bevallen was lag dominee Davitt een verdieping hoger in het ziekenhuis op sterven. (Longkanker – een grapje van God. Dominee Davitt moest niets hebben van tabak.) In de herfst van ’61 werd Saul zielzorger bij de Holy Basis. Hij zou pas in juni worden gewijd, maar hij had al zijn eigen, kleine kudde, zijn teerpapieren kerk en een kantoortje waar de mensen met hem konden praten over hun veelvormige narigheden. Daar kwam nog bij dat hij het op prijs zou stellen, zei hij, als ik voortaan de diensten bijwoonde. Dat weigerde ik. Ik antwoordde dat ik ook mijn rechten had; en hij zei, ja, dat was zo, maar hij hoopte dat ik toch zou komen omdat het heel belangrijk voor hem was.
Goed, ik ging. Die eerste zondag stalde ik Selinda beneden in de peuterklas, waarna ik tussen Julian en mijn moeder in een kerkbank plaatsnam. Ik droeg een matblauw mantelpak, een platte ronde hoed en witte handschoentjes. Met het oog op de andere kerkgangers probeerde ik net zo geboeid te kijken als van me werd verwacht. Ik probeerde niet te laten merken hoe geschokt ik was toen Saul in zijn gewaad als een vreemde naar voren trad en met vaste, gezaghebbende stem de bijbeltekst van die ochtend begon te lezen. De oudere gemeenteleden zeiden ‘Amen’, de andere bewaarden slechts een eerbiedig stilzwijgen. Toen stonden we allemaal op en zongen een gezang. We gingen weer zitten, en Saul verschikte allerlei paperassen op de preekstoel. ‘Ik heb hier,’ zei hij ten slotte, ‘een knipsel uit de krant van afgelopen woensdag: de vraag- en antwoordrubriek van dokter Tate.’
Zijn woorden galmden licht, alsof hij ze in een spoorwegstation had uitgesproken.
‘”Geachte dokter Tate, Het valt me moeilijk om met mijn eigen arts te praten. Ik schrijf u dit om duidelijk te maken wat ik van artsen vind en hoeveel zij van een mens verwachten. Elke donderdag moet ik bij mijn huisarts komen, en dan vraagt hij zich af hoe het toch komt dat het met mijn suikerziekte steeds slechter gaat. Ik zeg dan dat ik geen idee heb. Dokter Tate, ik moet bekennen dat ik veel meer gebak eet dan ik de dokter opbiecht. Soms heb ik de onstuitbare aandrang om me vol te proppen. Ook drink ik te veel wijn. Ik weet wel dat wijn eigenlijk geen sterke drank is, maar ik voel me toch schuldig als ik overdag drink, en daarom vertel ik hem dat maar niet. Dokter Tate, mijn man houdt niet meer van me en gaat met iemand anders, en mijn enige zoon is overleden aan een botziekte toen hij amper drie was. Ik weeg tweehonderdzeven pond en zit onder de pukkeltjes, ook al zeggen ze dat je daarop je twintigste van af bent, en ik ben vierenveertig. Maar om de een of andere reden kan ik dit allemaal niet aan mijn dokter vertellen en weet u waarom niet? Omdat een dokter zichzelf hoog op een voetstuk plaatst en omdat uit zijn houding blijkt dat hij je niet aardig vindt als je verkeerde dingen eet. Hoe komt hij er dan bij dat ik hem dit allemaal zou kunnen opbiechten? En ik zou wel eens willen weten: is dit wel éérlijk, dokter Tate?”’
Mijn belangstelling was gewekt. Ik vouwde mijn handschoenen op en keek op naar Saul, in afwachting van het antwoord van dokter Tate. Maar in plaats van dat voor te lezen legde Saul het knipsel weg en liet zijn blik over zijn gemeente dalen. ‘Die briefschrijfster,’ zei hij tegen zijn gehoor, ‘is niet alleen. Ze had iedereen kunnen zijn, u of ik. Ze leeft in voortdurende angst afgewezen te worden, in een wereld waar de liefde voorwaarden stelt. Ze vraagt zich af wat het allemaal voor zin heeft. De enige aan wie ze dat meent te kunnen vragen is een afgestudeerd arts.
Is het dan zo ver met ons gekomen? Zijn wij zo ver van God verwijderd geraakt?’
Ik gaapte en vlocht de vingers van mijn handschoenen in elkaar.
Dat was de laatste preek van Saul waarnaar ik ooit heb geluisterd.
____
