Ze keek me verbaasd en verschrikt aan. Het leek wel of ze zou gaan gillen, net als haar kleine zusje. Ik wist dat haar kalme ogen en haar gezichtje met de volmaakt regelmatige lijnen geen liefde kenden, maar zo koud en afwijzend als nu had ik ze nog nooit gezien. Ze begon iets te zeggen dat als een soort inleiding klonk. Maar ik wilde zekerheid: een ja of een nee! Misschien voelde ik me al beledigd door haar schijnbare aarzeling. Om haar te dwingen ogenblikkelijk een beslissing te nemen betwistte ik haar het recht rustig over haar antwoord na te denken.
‘Maar heb je dan helemaal niets opgemerkt? Je kunt toch onmogelijk hebben gedacht dat ik een oogje had op Augusta!’
Ik wilde mijn woorden klem bijzetten, maar in mijn geagiteerdheid legde ik de nadruk op de verkeerde plaats, zodat de naam van de arme Augusta werd uitgesproken met een geringschattend accent in woord en gebaar.
Hiermee had ik Ada uit de verlegenheid gered. Ze deed of ze alleen de belediging aan haar zusters adres had gehoord.
‘Denkt u dan zo ver boven Augusta verheven te zijn? Ik geloof niet eens dat zij bereid zou zijn uw vrouw te worden!’
Toen pas schoot het haar te binnen dat ze me nog een antwoord schuldig was:
‘Wat mij betreft… het verbaast me dat u zich zoiets in uw hoofd hebt kunnen halen.’
Deze snijdende zin was bedoeld om Augusta te wreken. In mijn grote verwarring dacht ik dat ook de betekenis van haar woorden zo moest worden geïnterpreteerd; als ze me een klap in mijn gezicht had gegeven zou ik me waarschijnlijk nog de reden ervan hebben afgevraagd. Daarom drong ik aan:
‘Denk er nog eens over na, Ada. Ik ben geen kwaad mens. Ik ben rijk… Een beetje excentriek misschien, maar dat is gemakkelijk te verhelpen.’
Ada werd nu ook vriendelijker, maar ze sprak opnieuw over Augusta. ‘Denk er zelf ook nog eens over na, Zeno: Augusta is een lief meisje en werkelijk de geschikte vrouw voor je. Ik kan niet voor haar spreken, maar ik geloof…’
Het was een verrukkelijke gewaarwording me voor de eerste maal door Ada bij mijn voornaam te horen aanspreken. Was dat geen uitnodiging om nog openhartiger te zijn? Misschien was ze voor mij verloren of zou ze er in ieder geval niet dadelijk in toestemmen mijn vrouw te worden; maar intussen moest ik voorkomen dat ze zich nog verder met Guido compromitteerde, ik moest haar de ogen openen voor de ware aard van deze jongeman. Ditmaal was ik echter voorzichtiger en begon met te zeggen dat ik voor Augusta alle respect en waardering had, maar dat ik absoluut niet met haar wilde trouwen. Om alle misverstand te voorkomen herhaalde ik het tot tweemaal toe: ik wilde niet met haar trouwen. Op die manier hoopte ik Ada te overtuigen dat ik Augusta niet had willen beledigen.
‘Een goed, lief, aardig meisje, Augusta, maar niet mijn type.’
Toen wilde ik opeens de zaak forceren, want er klonken stemmen in de gang en we konden elk ogenblik gestoord worden.
‘Ada! Die man is niet geschikt voor je. Het is een stommeling! Heb je niet gemerkt hoe hij van de kook was door de antwoorden van het tafeltje? Heb je zijn wandelstok gezien? Hij speelt goed viool, maar de grootste ezels kunnen soms goed spelen. Elk woord dat hij zegt verraadt zijn domheid…’
Hier viel ze me in de rede, na me eerst te hebben aangehoord met een gezicht of de betekenis van mijn woorden niet tot haar wilde doordringen. Ze sprong op, nog steeds met de viool en de strijkstok in haar handen, en beet me krenkende woorden toe. Ik heb mijn best gedaan ze te vergeten en dat is me gelukt. Alleen herinner ik me nog dat ze begon met me driftig te vragen hoe ik er bij kwam zo over hem en haar te spreken. Ik zette grote ogen op van verbazing, want ik meende uitsluitend over hem te hebben gesproken. Al die boze woorden die ze me toevoegde heb ik vergeten, maar niet haar mooie, edele, rechtschapen gezichtje dat rood zag van kwaadheid en haast uit steen gehouwen leek, zo scherp deed de verontwaardiging haar trekken uitkomen. Dat maakte een onuitwisbare indruk en als ik aan mijn jeugd en aan die liefde terugdenk zie ik altijd weer dat marmeren gezichtje van Ada voor me op het ogenblik waarop ze me definitief uit haar leven bande.
Het hele groepje kwam weer binnen met in hun midden mevrouw Malfenti, die de nog steeds huilende Anna in haar armen droeg. Niemand nam notitie van mij of van Ada en ik glipte zonder iemand te groeten de salon uit. In de gang pakte ik mijn hoed. Vreemd dat er niemand kwam om me te weerhouden! Toen weerhield ik mezelf maar, bedenkend dat ik de regels van de wellevendheid in acht moest nemen en dus voordat ik wegging iedereen netjes goedendag behoorde te zeggen. Wat me in werkelijkheid tegenhield was ongetwijfeld de wetenschap dat spoedig voor mij een nacht zou beginnen nog ondraaglijker dan de vijf voorgaande nachten. Nu ik eindelijk zekerheid had voelde ik een andere behoefte, namelijk aan rust en aan vrede met iedereen. Als het me gelukken zou alle bitterheid uit mijn verhouding tot Ada en de anderen weg te nemen, dan zou ik beslist beter kunnen slapen. Waartoe ook die bitterheid? Ik kon immers niet eens boos zijn op Guido, die er stellig geen enkele schuld aan had – al was het evenmin zijn eigen verdienste – dat Ada hem prefereerde.
Ada was de enige die mijn wandeling naar de gang had opgemerkt en toe ze me zag terugkomen wierp ze me een onderzoekende blik toe. Vreesde ze een scène? Ik wilde haar geruststellen. Ik liep langs haar stoel en fluisterde:
‘Mijn excuses als ik je heb beledigd!’
Opgelucht nam ze mijn hand en drukte die. Het was een grote troost. Ik sloot een ogenblik mijn ogen om met mezelf alleen te zijn en de vrede in mijn ziel te voelen neerdalen.
____
