____
zondag 1 november 2009
Een afgerond man
Om wegwijs te worden in het vervoerswezen en het werk op een kantoor, werd ik op het Frans-Jozefstation in Praag geplaatst; het kantoor, dat een raam op het donkere perron had en waar de hele dag licht moest branden, was een verschrikkelijk en hopeloos gat waar ik de doorvoerrechten en zulke dingen moest narekenen. Voor het raam flitsten mensen voorbij die op iemand wachtten of ergens naartoe gingen; er hing de nerveuze, welhaast pathetische sfeer die met aankomst en vertrek gepaard gaat, en ondertussen krabbelde de man achter het raam domme, volmaakt onverschillige cijfertjes neer. Ach, laat maar, het heeft ook wel iets. En zo af en toe het perron op om de benen te strekken, met onverschillig staand gezicht, want ik hoor hier, moeten jullie weten. Verder was het één barre, trieste, vreselijke kwelling; de enige diepe voldoening: dat ik nu dus een man was die in zijn eigen onderhoud voorzag. Ik mocht dan gebogen onder de lamp zitten, net als toen ik mijn rekenhuiswerk maakte; maar toentertijd was dat slechts ter voorbereiding op het leven, nu was het het leven zelf. Dat is een reusachtig verschil, meneer. Ik begon neer te kijken op de makkers met wie ik het afgelopen jaar had verboemeld; dat waren onrijpe, onzelfstandige jongetjes, terwijl ik een man was geworden die inmiddels op eigen benen stond. Ik ging hen geheel en al uit de weg; liever ging ik aan bij een bezadidgd café waar vadertypes hun zorgen en opinies uit de doeken deden. Heren, ik zit hier ook niet zomaar: ik ben een volwassen en afgerond man, die zijn brood verdient met slopend en onplezierig werk. Het is toch afschuwelijk wat ik voor de kost moet doen; de hele dag onder een sissende gaslamp, dat is toch niet uit te houden; aspirant of niet, heren, ik ken het leven inmiddels. Waarom ik daar dan voor gekozen heb? Dat zit zo, familieomstandigheden en dergelijke. In mijn kindertijd werd er bij ons een spoorlijn aangelegd, en ik wilde conducteur worden of zo’n mannetje dat de stukken gesprongen gesteente over de rails rijdt. Een jongensdroom, u kent dat; daarom pen ik nu kennisgevingen en zulke dingen. Niemand nam notitie van me, iedere volwassene heeft zijn eigen zorgen; ik was domweg bang om naar huis te gaan, omdat ik van vermoeidheid mijn bed zou moeten opzoeken en dan weer die nachtelijke koorts en zo’n onzinnige zweetaanval zou krijgen; dat komt van dat donkere kantoor, weet u? Niemand mag het weten, een aspirant mag niet sukkelen of hij wordt nog ontslagen; hij heeft voor zich te houden wat hem ’s nachts mankeert. Het was maar goed dat ik allerhande ervaringen had opgedaan, ik had tenminste iets om over te dromen. En wat een zware dromen: alles loopt in elkaar over en raakt verward; het is monsterlijk. Dit is zo’n waarachtig en ernstig leven, heren, dat ik eraan te gronde ga. In zekere zin moet je je leven vergooien om het op waarde te kunnen schatten.
