De mens is, om met Nietzsche te spreken, het ‘niet vastgestelde dier’. Een halffabrikaat: een wezen dat niet kant en klaar is, maar dat zichzelf eerst nog moet vervolledigen en omdat te kunnen de opmerkelijke vaardigheid bezit om zijn natuurlijke gebreken met handigheid en intelligentie te compenseren. Een gebrekkig wezen – dat betekent: de instincten waarmee de mens is toegerust schieten – vergeleken met die van de rest van het dierenrijk – tekort. De mens kan niet op zijn instincten vertrouwen, hij heeft te veel opties. Er is te weinig drang en te veel vrijheid. Waar de natuur hem in de steek laat, moet hij, om te kunnen overleven, zijn evolutie in eigen hand nemen. Je kunt het ook zo formuleren: de mens is van nature op kunstmatigheid, dus op cultuur en civilisatie aangewezen. Als het niet vastgestelde dier, vormt hij – middels cultuur – zijn natuur, de culturele ‘tweede natuur’. In zijn fantasie was hij altijd al een stuk verder en heeft hij op zijn tweede natuur imaginair geanticipeerd en ermee geoefend. Zo nam hij bijvoorbeeld in de religie, in de metafysica en in sprookjes zijn eerste vlieglessen. Sinds we echt kunnen vliegen, boeten religie, metafysica en sprookjes aan betekenis in. In zijn eerste natuur is de mens een door angst bepaald wezen. Overal loeren gevaren, en omdat de fantasie bij hem sterker is ontwikkeld dan de instincten, ziet hij in de bedreigende buitenwereld alleen de meest fantastische oorzakelijkheden. Om niet door zijn eigen fantasieën overweldigd te worden, moest de mens het kennen uitvinden. Zo leerde hij bijvoorbeeld inzien dat meteorologische omstandigheden de bliksem veroorzaken. De bliksem was daardoor niet langer een godsgericht dat bij de mens insloeg in het geweten. In plaats van te bidden maakte men liever bliksemafleiders. De tweede natuur, die we voor onszelf creëren, is naast vele andere dingen zo’n bliksemafleiderscultuur. Zij betekent verlichting, inperking van de angst, vermindering van de risico’s. Met behulp van techniek verschaffen we onszelf protheses, pantsers, schalen, schuilplaatsen.
In de Griekse tragedie en in de mythe is een probleem in het oog gevat en begrepen, namelijk dat er inzake het weten en daarmee in de tweede natuur, dus de cultuur, te veel van het goede kan zijn, dat men door techniek en weten te veel van zichzelf kan vergen. Je kunt het probleem ook zo formuleren: hoe ver kan de mens zich met zijn tweede natuur – dus de culturele – van de eerste natuur verwijderen? Kan zijn tweede natuur niet zozeer in strijd raken met zijn eerste natuur dat het in zelfvernietiging uitmondt?
Eerste natuur, tweede natuur [fragmenten]
____
