vrijdag 13 november 2009

Heb jij ooit gemasticeerd?

Ze reden op weg naar de club in zuidelijke richting over South Main Street. Caroline rookte een sigaret en hield Julians hand vast. Hij legde haar hand opzij om de ‘shave-and-haircut’ op de claxon te doen en gaf daarmee een signaal aan de Cadillac die vlak voor hen reed.
‘Wie is dat?’ zei Caroline.
‘Een goede aspirant-klant,’ zei Julian. ‘De jonge Al Grecco.’
‘Wie is dat? Ik ken hem van naam. Wie is dat?’
‘Hij is een soort jabroer van Ed Charney,’ zei Julian. De coupé voor hen sloeg linksaf naar Lincoln Street Bridge en het was duidelijk dat Al Grecco het signaal niet hoorde. Hij draaide zijn hoofd niet om en antwoordde niet met ‘bay-rum’ op de claxon van de coupé.
‘O, hij is die vent die voor de champagne naar Philadelphia is gegaan. Heeft hij die opgehaald?’
‘Als Mrs. Charney champagne wil, dan wordt die gehaald, wie ook de opdracht heeft gekregen.’
‘O dat geloof ik niet. Waarom zijn de mensen zo bang voor hem?’
‘Ik ben bang voor hem,’ zei Julian.
‘Dat ben je niet. Jij bent voor niemand bang. Mijn grote sterke man. Mijn maatje.’
‘Je bent gek, meid,’ zei hij.
‘Noem me geen meid en zeg niet gek.’
‘Masticatie,’ zei Julian. ‘God, heb je ooit zo iemand als moeder gehoord? Hoorde je hoe ze de ouwe heer vertelde dat hij niet masticatie moest zeggen? Je weet dat ze geen flauw idee heeft waarom ze niet van dat woord houdt.’
‘Ik wed van wel. Zo stom zijn vrouwen niet.’
‘Ik zeg je dat ze niet de flauwste notie heeft waarom ze niet van dat woord houdt. Ergens in haar achterhoofd heeft de klank ervan een onsmakelijke bijbetekenis, maar wat het is weet ze niet precies. Dus denkt ze dat ze de voorkeur geeft aan eenvoudige taal. Heb jij ooit gemasticeerd?’
‘Dat gaat jou niet aan.’
‘Heb je het wel eens gedaan?’
‘Ik word hier een beetje moe van,’ zei Caroline.
‘Ik ook,’ zei Julian. Een poosje reden ze verder, en toen zei hij: ‘Wanneer krijgen wij een baby?’
‘Ik weet het niet. Wanneer zullen we?’ zei ze.
‘Nee, serieus, wannéér zullen we?’
‘Je weet het. Binnenkort zijn de vijf jaar voorbij.’
‘Het Vijfjarenplan,’ zei hij langzaam. ‘Misschien heb je wel gelijk.’
‘Ik weet dat ik gelijk heb. Kijk maar naar die kinderen, Jeanie en Chuck. Nog niet eens twee jaar getrouwd, nauwelijks langer dan een jaar, en Jeanie moet zich misschien wel een kunstgebit laten aanmeten. Moet je horen, een kunstgebit – kun je je haar tanden nog herinneren? Ze had de mooiste sterke witte tanden die ik ooit heb gezien –’
‘Behalve die van jou.’
‘Goed, behalve die van mij. Maar de hare waren prachtig en precies goed. Tamelijk klein en mooi en echt stralend wit. De mijne zijn groter en ze stralen niet.’
‘Ik word erdoor verblind,’ zei hij. Hij deed de koplampen uit. ‘We gaan jouw stralende tanden als koplampen gebruiken.’
‘Doe de lampen aan, malloot,’ zei ze. ‘Ongelofelijk, het is vreselijk. Ze is nog maar eenentwintig. Nog maar eenentwintig en ze is al helemaal een getrouwde vrouw. Een getrouwde vrouw met een kind. En –’
‘En een echtgenoot. En wat voor een echtgenoot.’

uit: Afspraak in Samarra - John O'Hara

____