Ik zei: ‘Dames, mijne heren, er waren hier gisteren op de Gentse Feesten naar verluidt alweer een miljoen mensen op pad. Toch jammer dat het crisis is. Mocht het geen crisis zijn, dan konden wij ons nog meer amuseren. Ik heb echter een document meegebracht en ik lees hier tot mijn afgrijzen in het Staatsblad van deze week het volgende: “Zoals de regeringsverklaring het zegt zal de nieuwe regering aantreden op het moeilijkste ogenblik van de jongste dertig jaar. Een ommezwaai in het tot nog toe gevoerde sociaaleconomisch beleid is onontbeerlijk. Onze economische en sociale toestand wordt in deze tijden inderdaad gekenmerkt door een zeer hoge werkloosheid, ongeveer 10 procent van de actieve bevolking, door een fel onevenwicht van de lopende balansbetaling gelijk aan ongeveer 6 procent van het bnp en door een structureel deficit van de openbare financiën voor het geheel van de publieke sector, gelijk aan om en nabij 16 procent van het bnp. Wij bevinden ons derhalve in een noodtoestand.”
Tot zover, geachte leden van de vergadering, dit excerpt uit het Staatsblad van deze week. Met andere woorden: het is crisis. En deze crisis is hopeloos. Hier raken we nooit meer uit. We zijn verdoemd!’
Hier liet ik een pijnlijke stilte vallen.
De debaters zaten verbijsterd in mijn richting te staren. Een van hen, een oudere dame van een actiecomité tegen iets, was in tranen uitgebarsten en riep: ‘Inderdaad, hij heeft gelijk, het komt nooit meer goed, we zijn verdoemd!’
Ik nam glunderend opnieuw het woord: ‘Nu heb ik u eens goed liggen allemaal. Denkt gij nu werkelijk dat ik dat afgrijselijke Staatsblad ga lezen? Dat laat ik over aan mensen die er verstand van hebben. Het fragment van daarnet komt uit de regeringsverklaring van 1981, nog van in de tijd van Wilfried Martens. Ik zag het toevallig staan in een oude cursus sociologie die ik nog liggen had van vroeger toen ik vruchteloos het eerste jaar pol en soc studeerde. Ik sloeg die cursus gisteren uit nieuwsgierigheid een keer open en mijn oog viel op die verklaring van Wilfried Martens en zijn kornuiten, en ziedaar dus de feiten: het is inderdaad altijd en immer crisis, vroeger al en ook nu. En in de toekomst zal het zeker ook crisis zijn. Dat is immers goed voor de economie. Kijk maar naar de Gentse Feesten, die worden elk jaar groter en groter. De mensen zijn nog nooit zo gelukkig geweest. Ze hebben nog nooit zoveel lol getrapt als dit jaar. Leve, dus, de crisis!’
Midden in het feestgewoel [fragment]
____
