dinsdag 24 november 2009

Zolang geen van beiden de discussie wil laten beëindigen met een machtswoord

Stel, mijnheer Pietersen en mijnheer Jansen hebben het volgende gesprek. Pietersen verwoordt het onsympathieke standpunt, de ‘onderbuik’ van de Nederlandse samenleving. Jansen verwoordt het sympathieke, ruimdenkende en progressieve standpunt.
Mijnheer Jansen zegt: ‘Ik ben van mening dat we de zwakken en verdrukten uit andere delen van de wereld niet in de kou mogen laten staan. Wanneer iemand in in zijn eigen land wordt vervolgd, met de dood wordt bedreigd of anderszins het leven onmogelijk wordt gemaakt op grond van zijn geloof of zijn gewetensovertuiging, dan moet hij in Nederland onderdak kunnen vinden.’
Mijnheer Pietersen daarentegen zegt: ‘Allemaal goed en aardig, maar Nederland is vol. We kunnen hier niemand meer bij hebben en ik voorzie grote sociale spanningen wanneer er meer immigranten of asielzoekers in de Nederlandse samenleving zullen worden opgenomen. De multiculturele samenleving heeft in de Verenigde Staten al geleid tot een “uiteenvallen van Amerika”. Laten we dat hier, voorzover mogelijk, buiten de deur houden. Ook in Midden-Europa is de boel uit elkaar gevallen en daaruit kan je leren hoe fataal etnisch-raciale verschillen kunnen doorwerken. Multiculturele staten zijn een ramp voor de vrede.’
Tot zover de twee standpunten. Stel nu aan een willekeurige voorbijganger de vraag welk van de hier gepresenteerde meningen de deugd der ‘tolerantie’ demonstreert. Velen zullen kiezen voor Jansen. Met het tolerantiebegrip van Marcuse is dat allemaal te rijmen. Maar met het tolerantiebegrip van Voltaire zou met moeten antwoorden dat Jansen noch Pietersen zich met zijn opvattingen als tolerant of intolerant heeft doen kennen. Zolang geen van beiden de discussie wil laten beëindigen met een machtswoord, zolang geen van beiden inroept dat bepaalde meningen niet mogen worden geventileerd, zolang niemand wil dat het ventileren van een mening, zelfs een impopulaire mening, door het openbaar ministerie wordt vervolgd – zolang dat allemaal niet het geval is, is tolerantie of intolerantie niet in het geding.
Laten we nu het vervolg van de discussie presenteren. Jansen heeft zich geërgerd aan het onacceptabel en ‘intolerant’ standpunt van Pietersen en hij zegt: ‘Dat vind ik een onacceptabel standpunt. Jij zegt in feite: “Vol is vol.” Dat is een nazistische leuze. Jij bent een fascist en het openbaar ministerie zou jou op grond van discriminatie en belediging van bevolkingsgroepen moeten vervolgen.’
En Pietersen antwoordt: ‘Wij zijn het eenvoudigweg met elkaar oneens over migratiepolitiek. Niets meer en niets minder. Daar zou het openbaar ministerie niet bij betrokken moeten raken. En jij zou je niet zo kwaad moeten maken. Laten we elkaar als mensen respecteren, ook al verschillen we over sommige zaken van mening.’
En dan wederom de vraag wie hier het tolerante standpunt verwoordt. Het antwoord ligt voor de hand: Pietersen. Pietersen is de leerling van Voltaire, Jansen van Marcuse.
Nu is dit antwoord tegenwoordig voor ons contra-intuïtief geworden en precies daaruit blijkt hoezeer het klassieke tolerantiebegrip geperverteerd is geraakt en we in feite een terugval in de beschaving hebben gemaakt naar een periode van vóór de godsdienstvrede van de zeventiende eeuw. Weliswaar is ‘religieus correct’ een nietszeggend begrip geworden en kunnen gerenommeerde theologen verzoening, Jezus en God op sterk water zetten, maar dat heeft niet geleid tot een echte verdwijning van orthodoxie, intolerantie, denkdwang en denkpolitie. Van ‘religieus correct’ zijn we opgeschoven naar ‘politiek correct’. Het absolute kwaad dat in de zeventiende eeuw werd geassocieerd met geloofsafval, de duivel en ketterij, wordt tegenwoordig geprojecteerd op politieke ideeën.

uit: Moderne Papoea’s : dilemma’s van een multiculturele samenleving - Paul Cliteur

____