Mijn bibliotheek is ingedeeld in genres en subgenres, en daarbinnen alfabetisch. Er zijn drie hoofdgenres: literatuur, non-fictie (voor dit afschuwelijke anglicisme bestaat helaas geen Franse uitdrukking) en kunst.
De literatuur is geordend per taal, maar de Catalanen zijn ondergebracht bij de Spaanse sectie, de Provençaalse dichter Frédéric Mistral staat bij de Franse sectie, en in de Scandinavische indeling zitten uiteraard het IJslands, het Deens, het Noords, het Zweeds en het Oudnoors, maar ook het Fins, dat bij een striktere indeling op taal beter had gepast bij de Hongaarse literatuur en zelfs de Estse. Maar dat zou literair gezien hebben gebotst en was in de buurt gekomen van de totaal achterhaalde ‘klimatentheorie’, en had me hoe dan ook voor een ander probleem gesteld: wat te doen met in het Zweeds schrijvende Finnen? De taal waarin wordt geschreven was dan voor de bevolkingsgroep gegaan, en dat wilde ik niet (de eigenaar van een flinke bibliotheek wordt al snel een soort autocraat, die zelfs de neiging heeft zich te bemoeien met andermans bibliotheek; wanneer ik op bezoek ben bij een collega-bibliomaan zet ik wel eens stilletjes de delen van een uitgave weer in de goede volgorde, of draai ik een boek om zodat de titel te lezen is). En eerlijk gezegd ben ik nog geen aanvaardbare oplossing voor het Fries (Tjerne le Frison et autres vers van Gysbert Japix, vertaald uit het Fries en ingeleid door Henk Zwier, Gallimard, in de reeks L’Aube des peuples, 1994), waarover de vertaler uitlegt dat het behoort tot de Germaanse talen, dat het nauw verwant is aan het Oudengels en voornamelijk gesproken wordt in Noord-Nederland. Het boek bleek vreemd genoeg bij de afdeling Scandinavisch te staan toen ik het eindelijk vond, maar ik weet niet of ik het daar moet terugzetten. Daarnaast is er nog een subgenre detectives en thrillers, waar alle talen door elkaar staan.
De afdeling non-fictie is onderverdeeld in twee grote, losjes gedefinieerde blokken: abstract (filosofie, theologie, geschiedenis van de godsdiensten, exacte wetenchappen, psychoanalyse, psychologie, letterkunde, taalkunde, literatuurgeschiedenis) en concreet (geschiedenis, politiek, etnologie, dagboeken, biografieën, documenten). Dat werpt subtiele vragen op omtrent de definitie. En vooral het dilemma van auteurs die zowel theoretische werken schrijven als werken waarin de dagelijkse werkelijkheid centraal staat: moet je Qu’est-ce-que la sociologie? van Norbert Elias neerzetten naast zijn meer geschiedkundige werken? En moet Comment on écrit l’histoire van Paul Veyne zij aan zij staan met zijn boeken over seksualiteit in de Oudheid en over het Romeinse evergetisme?
De afdeling kunst heeft uit de aard der zaak vele onderafdelingen: muziek, film, fotografie, teken- en schilderkunst, architectuur, tentoonstellingscatalogi en, vanwege de uiteenlopende formaten, kunstgeschiedenis, kunstkritiek en esthetiek. Deze subcategorieën zijn op hun beurt onderverdeeld: de schilderkunst in scholen (de Franse, de Italiaanse, de Vlaamse, de Duitse enzvoorts), de catalogi en museumcatalogi (per land geordend), monografische exposities en thematische exposities (L’art au temps des rois maudits, Le Tableau dans le tableau, of La mélancolie, en die dan weer geordend per jaar). En er is een hele boekenkast met kunstboeken die in geen enkele categorie passen. Meer hierover zou vervelend worden, al zou ik nog tijden kunnen doorgaan met het noemen van uitzonderingen of twijfelgevallen (Hoort Picasso bij de Fransen of bij de Spanjaarden? Is Modigliani een Italiaanse schilder of een Franse? Is Giacometti een Zwitserse kunstenaar? Deel je Bernini in bij de schilders, de beeldhouwers – alweer een subcategorie! – of de architecten? Om nog te zwijgen van Michelangelo!)
Ten slotte staan langs een grote muur achter mijn werktafel alle naslagwerken: woordenboeken in alle soorten en maten, lexicons (van de filosofie, van de psychoanalyse, van de gastronomie, enzovoorts). Maar de Encyclopedia universalis (editie 1970) staat sinds kort wegens ruimtegebrek in de kamer ernaast (ik moest plaats overhouden voor boeken over Franse schilderkunst, die door recente werkzaamheden voor musea en uitgeverijen fors in aantal zijn toegenomen).
Deze schijnbaar strakke ordening wordt in feite verstoord door talloze afzonderlijke twijfelgevallen, die op de ene manier zijn opgelost maar evengoed hadden kunnen worden opgelost op de andere, en door grotere uitzonderingen. Zo is het verleidelijk om alle Pléiade-uitgevers bij elkaar te zetten in een kast waar ze precies in passen, maar sommige staan in de sectie waar ze bij horen, bij de andere werken van de betreffende auteur. Een paar complete reeksen gooien de zuiver alfabetische volgorde van hun afdeling in de war. Tijdschriften staan bij elkaar in een eigen kast, maar zijn soms opgeborgen per genre. De Cahiers de l’Herne, met hun ongewone formaat, staan in principe bij elkaar, maar door plaatsgebrek staan sommige nummers bij het werk van de betreffende auteur.
Dat ik alles kan terugvinden komt enkel en alleen doordat ik door de jaren heen elk boek eigenhandig heb opgeborgen, en doordat ik tijdens de diverse herindelingen goed mijn hoofd erbij heb gehouden, zodat ik later nog wist waar ik wat had neergezet. Toch grijp ik nu en dan mis, bijvoorbeeld wanneer ik boeken zoek die vertaald zijn uit het Roemeens, of uit het Nederlands, want die laatste staan bij de Vlamingen, terwijl de Walen in de Franse sectie staan (de hypothetische opdeling van België waarover je zoveel hoort is in mijn bibliotheek dus werkelijkheid geworden!): het zijn te specifieke werelden om te worden ingedeeld bij andere, ze zijn klein genoeg om bij gelegenheid te worden verplaatst, maar te bescheiden van omvang om in één oogopslag te worden gelokaliseerd. Het gebeurt ook wel dat ik een tijd moet zoeken naar een boek omdat de logica van de klasseringen mettertijd vervaagd is. Of dat ik een boek waarvan ik zeker weet dat ik het bezit niet meer kan vinden. Is het verkeerd teruggezet of verdwenen? Op die vraag krijg ik niet altijd antwoord of het antwoord komt te laat, als ik het boek al opnieuw heb aangeschaft.
dinsdag 29 december 2009
maandag 28 december 2009
Some things had happened to diminish the sense of rapport
I’m proud of my carefully selected twenty-eight-thousand-volume library and am not joking when I say that I regard its formation as one of my most notable achievements.
Yet, when I walk along the rows of bookshelves now, I feel that a distance has opened between me and my books. Some things had happened to diminish the sense of rapport I always had with those books.
This is made all the odder because of my love of rereading. If I once read for adventure, I now read for security. How nice to be able to return to what won’t change. Slowly Down the Ganges, a wonderful travel book by Eric Newby, I’ve now read many times. I also like his funniest book, A Short Walk in the Hindu Kush, a book Evelyn Waugh admired very much – and justly.
I think sometimes that I’m angry with my library because I know that I can’t reread all. I would like to, but the time is not there. It is this, I think, that produces the slight sense of alienation that I feel when I’m together with my books now. They need to find other readers soon – ideally they will be my son and grandson, but if not them, other book lovers.
Walking past my long shelves of English literature now, I feel rather like I felt while walking on the Rice campus. A young woman I had long ago dated briefly but intensely came walking up to me with a baby in her arms. She stopped, we chatted pleasantly; then we both walked on, having enjoyed our light encounter.
That’s the way I feel now, when among my books, I might pull down a volume of Stevie Smith, read a poem or two, then put the book back and move on. Once I was passionate about Stevie Smith – but when I look into her now, it’s a light encounter. And so life moves along.
Yet, when I walk along the rows of bookshelves now, I feel that a distance has opened between me and my books. Some things had happened to diminish the sense of rapport I always had with those books.
This is made all the odder because of my love of rereading. If I once read for adventure, I now read for security. How nice to be able to return to what won’t change. Slowly Down the Ganges, a wonderful travel book by Eric Newby, I’ve now read many times. I also like his funniest book, A Short Walk in the Hindu Kush, a book Evelyn Waugh admired very much – and justly.
I think sometimes that I’m angry with my library because I know that I can’t reread all. I would like to, but the time is not there. It is this, I think, that produces the slight sense of alienation that I feel when I’m together with my books now. They need to find other readers soon – ideally they will be my son and grandson, but if not them, other book lovers.
Walking past my long shelves of English literature now, I feel rather like I felt while walking on the Rice campus. A young woman I had long ago dated briefly but intensely came walking up to me with a baby in her arms. She stopped, we chatted pleasantly; then we both walked on, having enjoyed our light encounter.
That’s the way I feel now, when among my books, I might pull down a volume of Stevie Smith, read a poem or two, then put the book back and move on. Once I was passionate about Stevie Smith – but when I look into her now, it’s a light encounter. And so life moves along.
____
zondag 27 december 2009
I mustn’t disappoint my public
‘Funny how ideas come,’ he said afterwards. ‘Like a flash of lightning.’
He suddenly remembered having seen a boy set fire to some petrol that had been spilt on the pavement, and the sudden blaze-up. For of course it was the flames on the water and the spectacular dive into them that had caught the public fancy. He stopped dancing there and then; he was too excited to go on. He talked it over with Stella, and she was enthusiastic. He wrote to an agent who was a friend of his; everyone like Syd, he was a nice little man, and the agent put up the money for the apparatus. He got them an engagement at a circus in Paris, and the turn was a success. They were made. Engagements followed here and there, Syd bought himself an entire outfit of new clothes, and the climax came when they got a booking for the summer casino on the coast. It was no exaggeration of Syd’s when he said that Stella was a riot.
‘All our troubles are over, old girl,’ he said fondly. ‘We can put a bit by now for a rainy day, and when the public’s sick of this I’ll just think of something else.’
And now, without warning, at the top of their boom, Stella wanted to chuck it. He didn’t know what to say to her. It broke his heart to see her so unhappy. He loved her because of all they’d gone through together; after all, for five days once they’d had nothing to eat but a hunk of bread each and a glass of milk, and he loved her because she’d taken him out of all that; he had good clothes to wear again and his three meals a day. He couldn’t look at her; the anguish in her dear grey eyes was more than he could bear. Timidly she stretched out her hand and touched his. He gave a deep sigh.
‘You know what it means, honey. Our connexion in the hotels has gone west, and the business is finished, anyway. What there is’ll go to the people younger than us. You know what these old women are as well as I do; it’s a boy they want, and besided, I’m not tall enough really. It didn’t matter so much when I was a kid. It’s no good saying I don’t look my age because I do.’
‘Perhaps we can get into pictures.’
He shrugged his shoulders. They’d tried that before when they were down and out.
‘I wouldn’t mind what I did. I’d serve in a shop.’
‘D’you think jobs can be had for the asking?’
She began to cry again.
‘Don’t honey. It breaks my heart.’
‘We’ve got a bit put by.’
‘I know we have. Enough to last us six months. And then it’ll mean starvation. First popping the bits and pieces, and then the clothes’ll have to go, same as they did before. And then dancing in lowdown joints for our supper and fifty francs a night. Out of a job for weeks together. And Marathons whenever we hear of one. And how long will the public stand for them?’
‘I know you think I’m unreasonable, Syd.’
He turned and looked at her now. There were tears in her eyes. He smiled, and the smile he gave her was charming and tender.
‘No, I don’t, ducky. I want to make you happy. After all, you’re all I’ve got. I love you.’
He took her in his arms and held her. He could feel the beating of her heart. If Stella felt like that about it, well, he must just make the best of it. After all, supposing she were killed? No, no, let her chuck it and be damned to the money. She made a little movement.
‘What is it, honey?’
She released herself and stood up. She went over to the dressing-table.
‘I expect it’s about time for me to be getting ready,’ she said.
He started to this feet.
‘You’ve not going to do a show tonight?’
‘Tonight, and every night till I kill myself. What else is there? I know you’re right, Syd. I can’t go back to al that other, stinking rooms in fifth-rate hotels and not enough to eat. Oh, that Marathon. Why did you bring that up? Being tired and dirty for days at a time and then having to give up because flesh and blood just couldn’t stand it. Perhaps I can go on another month and then there’ll be enough to give you a chance of looking round.’
‘No, darling. I can’t stand for that. Chuck it. We’ll manage somehow. We starved before; we can starve again.’
She slipped out her clothes, and for a moment stood naked but for her stockings, looking at herself in the glass. She gave her reflection a hard smile.
‘I mustn’t disappoint my public,’ she sniggered.
He suddenly remembered having seen a boy set fire to some petrol that had been spilt on the pavement, and the sudden blaze-up. For of course it was the flames on the water and the spectacular dive into them that had caught the public fancy. He stopped dancing there and then; he was too excited to go on. He talked it over with Stella, and she was enthusiastic. He wrote to an agent who was a friend of his; everyone like Syd, he was a nice little man, and the agent put up the money for the apparatus. He got them an engagement at a circus in Paris, and the turn was a success. They were made. Engagements followed here and there, Syd bought himself an entire outfit of new clothes, and the climax came when they got a booking for the summer casino on the coast. It was no exaggeration of Syd’s when he said that Stella was a riot.
‘All our troubles are over, old girl,’ he said fondly. ‘We can put a bit by now for a rainy day, and when the public’s sick of this I’ll just think of something else.’
And now, without warning, at the top of their boom, Stella wanted to chuck it. He didn’t know what to say to her. It broke his heart to see her so unhappy. He loved her because of all they’d gone through together; after all, for five days once they’d had nothing to eat but a hunk of bread each and a glass of milk, and he loved her because she’d taken him out of all that; he had good clothes to wear again and his three meals a day. He couldn’t look at her; the anguish in her dear grey eyes was more than he could bear. Timidly she stretched out her hand and touched his. He gave a deep sigh.
‘You know what it means, honey. Our connexion in the hotels has gone west, and the business is finished, anyway. What there is’ll go to the people younger than us. You know what these old women are as well as I do; it’s a boy they want, and besided, I’m not tall enough really. It didn’t matter so much when I was a kid. It’s no good saying I don’t look my age because I do.’
‘Perhaps we can get into pictures.’
He shrugged his shoulders. They’d tried that before when they were down and out.
‘I wouldn’t mind what I did. I’d serve in a shop.’
‘D’you think jobs can be had for the asking?’
She began to cry again.
‘Don’t honey. It breaks my heart.’
‘We’ve got a bit put by.’
‘I know we have. Enough to last us six months. And then it’ll mean starvation. First popping the bits and pieces, and then the clothes’ll have to go, same as they did before. And then dancing in lowdown joints for our supper and fifty francs a night. Out of a job for weeks together. And Marathons whenever we hear of one. And how long will the public stand for them?’
‘I know you think I’m unreasonable, Syd.’
He turned and looked at her now. There were tears in her eyes. He smiled, and the smile he gave her was charming and tender.
‘No, I don’t, ducky. I want to make you happy. After all, you’re all I’ve got. I love you.’
He took her in his arms and held her. He could feel the beating of her heart. If Stella felt like that about it, well, he must just make the best of it. After all, supposing she were killed? No, no, let her chuck it and be damned to the money. She made a little movement.
‘What is it, honey?’
She released herself and stood up. She went over to the dressing-table.
‘I expect it’s about time for me to be getting ready,’ she said.
He started to this feet.
‘You’ve not going to do a show tonight?’
‘Tonight, and every night till I kill myself. What else is there? I know you’re right, Syd. I can’t go back to al that other, stinking rooms in fifth-rate hotels and not enough to eat. Oh, that Marathon. Why did you bring that up? Being tired and dirty for days at a time and then having to give up because flesh and blood just couldn’t stand it. Perhaps I can go on another month and then there’ll be enough to give you a chance of looking round.’
‘No, darling. I can’t stand for that. Chuck it. We’ll manage somehow. We starved before; we can starve again.’
She slipped out her clothes, and for a moment stood naked but for her stockings, looking at herself in the glass. She gave her reflection a hard smile.
‘I mustn’t disappoint my public,’ she sniggered.
Gigolo and gigolette [fragment]
zaterdag 26 december 2009
I went booming through Venice
The actions of life are not so many. To go in, to go, to go in secret, to cross the bridge of sighs. And when you dishonoured me, I saw that dishonour is an action. It happened in Venice, it causes the vocal cords to swell. I went booming through Venice, under and over the bridges, but you were gone. Later that day I telephoned your brother. What's wrong with your voice? he said.
Short talk on defloration
____
woensdag 23 december 2009
The crusader’s best medium is the manifesto
The heroine is a novelist suffering from “writer’s block” (an affliction that her creatrix seems never to have known, judging from the bulk of her output). Instead of attempting a new novel, she fills four notebooks with four kinds of observation, though her preoccupations are twofold – with the Communist movement in the nineteen-thirties (she became a Communist in South Africa because only the Communist seemed to have any “moral energy”) and the emergence of the “free woman”. She is close to the Martha Quest of Mrs Lessing’s pentateuch Children of Violence in spirit and ideals, though she is duller and more humourlessly earnest. Her conception of herself as a liberated female leads her to say hard things about male arrogance, stupidity, sexual impotence and incompetence, and her own sexual frustrations (which are, of course, to be blamed on men) fill up a good part one notebook. She is intelligent, honest, burning with conviction, but – in the manner of the new Women’s Liberationists – she lacks tolerance. The four notebooks merge into the single conception of the “Golden Notebook”, and we are told that we have, after all, been reading a novel. We are not altogether convinced. There has been too much diversion of aim, too little digestion of deeply held beliefs into something acceptable as a work of art. The crusader’s best medium is the manifesto, which is less concerned with aesthetic balance than with didactic hammering.
The Golden Notebook has, with all its faults, significance as the most massive statement made, up to that time, on the position of woman in the modern world. Mrs Lessing, as her other work shows, has spent much energy on other issues – the relationship of black and white, ruled and ruling, in a British dependency (born in Iran, she was raised in Rhodesia); the panacea of socialism in a tormented world; the question (raised also by the psychiatrist R.D. Laing) of what constitutes sanity. The realistic novel has ceased to satisfy her, and she has found it more comfortable to present her view of the world’s misery in the form of a kind of elevated science fiction. The Golden Notebook presents her essence, however, and ought to be taken as a historical document of some importance.
The Golden Notebook has, with all its faults, significance as the most massive statement made, up to that time, on the position of woman in the modern world. Mrs Lessing, as her other work shows, has spent much energy on other issues – the relationship of black and white, ruled and ruling, in a British dependency (born in Iran, she was raised in Rhodesia); the panacea of socialism in a tormented world; the question (raised also by the psychiatrist R.D. Laing) of what constitutes sanity. The realistic novel has ceased to satisfy her, and she has found it more comfortable to present her view of the world’s misery in the form of a kind of elevated science fiction. The Golden Notebook presents her essence, however, and ought to be taken as a historical document of some importance.
The Golden Notebook - Dorris Lessing
____
maandag 21 december 2009
Experience is a futile teacher
Experience is a futile teacher,
Experience is a prosy preacher,
Experience is a fruit-tree fruitless,
Experience is a shoe-tree bootless.
For sterile wearience and drearience,
Depend, my boy, upon experience.
The burnt child, urged by rankling ire,
Can hardly wait to get back at the fire,
And, mulcted in the gambling den,
Men stand in line to gamble again.
Who says that he can drink or not?
The sober man? Nay nay, the sot.
He who has never tasted jail
Lives well within the legal pale,
While he who's served a heavy sentence
Renews the racket, not repentance.
The nation bankrupt by a war
Thinks to recoup with just one more;
The wretched golfer, divot-bound,
Persists in dreams of the perfect round.
Life's little suckers chirp like crickets
While spending their all on losing tickets.
People whose instinct instructs them naught
But must by experience be taught,
Will never learn by suffering once,
But ever and ever play the dunce.
Experience! Wise men do not need it!
Experience! Idiots do not heed it!
I'd trade my lake of experience
For just one drop of common sense.
Experience is a prosy preacher,
Experience is a fruit-tree fruitless,
Experience is a shoe-tree bootless.
For sterile wearience and drearience,
Depend, my boy, upon experience.
The burnt child, urged by rankling ire,
Can hardly wait to get back at the fire,
And, mulcted in the gambling den,
Men stand in line to gamble again.
Who says that he can drink or not?
The sober man? Nay nay, the sot.
He who has never tasted jail
Lives well within the legal pale,
While he who's served a heavy sentence
Renews the racket, not repentance.
The nation bankrupt by a war
Thinks to recoup with just one more;
The wretched golfer, divot-bound,
Persists in dreams of the perfect round.
Life's little suckers chirp like crickets
While spending their all on losing tickets.
People whose instinct instructs them naught
But must by experience be taught,
Will never learn by suffering once,
But ever and ever play the dunce.
Experience! Wise men do not need it!
Experience! Idiots do not heed it!
I'd trade my lake of experience
For just one drop of common sense.
Experience to let
____
zondag 20 december 2009
Waar de melk zich mee toedekt
De wandelingen, nu met zijn vieren, kregen het oude aspect. Waar zij langs gingen had weer alle aandacht. Kristoffel vond weer de belangstelling voor zijn wetenswaardigheden. Zo kwamen zij bij voorbeeld eens voorbij een stilstaande plas waar een hele troep zwaluwen voortdurend overheen scheerde om elk mugje dat uit zijn larve was gekropen en zich boven de waterspiegel verhief meteen op te happen.
‘Die larven daar in het water’ legde Kristoffel uit – hij had het van het Blauwe Beestje – ‘hebben het geloof dat zo’n warme dag als vandaag een besmettelijke ziekte is waar zij in massa aan sterven en de zwaluwen zijn voor hen de engelen, die hun zielen opvangen en in hun bek naar de hemel dragen.’
Hij kwam weer helemaal los, die Kristoffel. Toen zij voorbij een koren maaiende boer kwamen kon hij weer zeggen: ‘Horen jullie het zachte kermen van het graan? In de planten zit veel meer leven dan wij denken. Op andere planeten groeien planten met hersens.’
‘Misschien zijn er wel planten met hersens’ gooide de zwerver er tussenin.
‘En in de dingen ook’ ging Kristoffel voort. ‘Als een stoel zijn poot breekt zegt hij krak! Dat is de boom die nog in de stoel voortleeft. Neem nou bijvoorbeeld melk. Als je die kookt dan komt er een vel op, dat weten de mensen allemaal. Maar niemand denkt eraan dat het gedaan wordt om de warmte langer vast te houden, dat zo’n vel een deken is waar de melk zich mee toedekt.’
‘Is dat soms ook de koe die in haar melk voortleeft?’ vroeg de zwerver.
Nu moesten de mannen stilstaan want Bertha kon van het lachen geen stap verzetten. Ook thuis had ze dat soms, dan kon ze van ’t lachen niets doen.
‘Het is toch niet voor niets’ hernam Kristoffel zijn onderwerp, ‘dat schilders een verzameling potjes en pannetjes op hun doeken een stilleven noemen. En wie kijken er nou beter naar de dingen dan de schilders. En neem nou rivieren. Die moeten toch zeker onder de levende wezens worden gerekend. Mensen, dieren, planten en rivieren moet het zijn.’
Een nieuw gedicht van Kristoffel, dacht Bertha verheugd, straks gaat hij ook wel weer een beestje snijden.
Maar de Verrekijker werd aldoor zwijgzamer. Hij kon niets over een ver land vertellen of hij werd meteen door de zwerver overtroefd. De kennis uit boek en bedenking was tegen eigen belevenis niet bestand. Meer dan eens had hij daardoor beweringen terug moeten nemen. Allengs beperkte hij zich tot gebieden die de zwerver niet had kunnen bezoeken, de geschiedenis en de sterrenwereld, maar ook daarin liet de zwerver hem niet uitspreken.
‘Wat voorbij is is voorbij en op de sterren komen wij nooit. Waar blijven de dichters van het Cambrium en van het Carboon!’ riep die eens uit. ‘Wie heeft er ooit de Grote Beer bezongen om van de Kleine maar te zwijgen. Inspiratie gaat er niet van uit. Van alle sterren bij elkaar, de sterrenhemel wel. Maar waarom is dat? Niet om die spikkeltjes maar omdat daaronder de dingen worden gedaan die het grote licht niet kunnen verdragen. De nachtelijke hemel wordt bezongen als de grote medeplichtige.’
De Verrekijker keurde zulke uitlatingen geen antwoord waardig. Het was duidelijk dat hij de zwerver hoe langer hoe meer zag als een milieuverontreiniging.
Zo was de toestand overdag maar ’s nachts werd het doel van de samenzwering voorbijgeschoten en de vraag of dit al meteen in het achterhoofd van de zwerver heeft gezeten heeft weinig zin want het is nu eenmaal aan alle zwervers eigen met elke vrouw die in hun buurt komt wat te beginnen. Levenslange verbintenissen zijn hun een gruwel, dus moet het wel op deze manier.
Om kort te gaan, tante Bertha werd op de zwerver verliefd. Dat was weer geen wonder want ten eerste was hij een echte kerel, ten tweede wist hij net zulke interessante dingen te vertellen als de Verrekijker en ten derde, wat op zichzelf al voldoende was geweest, had zij in de liefde alles aan Kristoffel moeten bijbrengen, hier waren de rollen omgekeerd. Die zwerver beheerste het hele terrein. Geen volk op aarde of hij kende er de geraffineerde trucs van. De Macedonische kus, de Caraïbische handgrep, de Engelse kruiwagen, het waren alle evenzoveel openbaringen voor de vrouw die tot dusverre altijd volgens de traditie van het boerenland en haar eigen instincten te werk was gegaan.
Evenals de yogaleer mensen pas bewust maakt voor alle delen van hun lichaam maakte de zwerver haar bewust van plekken waar zij nooit speciaal aan had gedacht maar in plaats van rust en harmonie, die de yoga moet brengen sloegen haar dan aan alle kanten de vlammen uit.
‘Die larven daar in het water’ legde Kristoffel uit – hij had het van het Blauwe Beestje – ‘hebben het geloof dat zo’n warme dag als vandaag een besmettelijke ziekte is waar zij in massa aan sterven en de zwaluwen zijn voor hen de engelen, die hun zielen opvangen en in hun bek naar de hemel dragen.’
Hij kwam weer helemaal los, die Kristoffel. Toen zij voorbij een koren maaiende boer kwamen kon hij weer zeggen: ‘Horen jullie het zachte kermen van het graan? In de planten zit veel meer leven dan wij denken. Op andere planeten groeien planten met hersens.’
‘Misschien zijn er wel planten met hersens’ gooide de zwerver er tussenin.
‘En in de dingen ook’ ging Kristoffel voort. ‘Als een stoel zijn poot breekt zegt hij krak! Dat is de boom die nog in de stoel voortleeft. Neem nou bijvoorbeeld melk. Als je die kookt dan komt er een vel op, dat weten de mensen allemaal. Maar niemand denkt eraan dat het gedaan wordt om de warmte langer vast te houden, dat zo’n vel een deken is waar de melk zich mee toedekt.’
‘Is dat soms ook de koe die in haar melk voortleeft?’ vroeg de zwerver.
Nu moesten de mannen stilstaan want Bertha kon van het lachen geen stap verzetten. Ook thuis had ze dat soms, dan kon ze van ’t lachen niets doen.
‘Het is toch niet voor niets’ hernam Kristoffel zijn onderwerp, ‘dat schilders een verzameling potjes en pannetjes op hun doeken een stilleven noemen. En wie kijken er nou beter naar de dingen dan de schilders. En neem nou rivieren. Die moeten toch zeker onder de levende wezens worden gerekend. Mensen, dieren, planten en rivieren moet het zijn.’
Een nieuw gedicht van Kristoffel, dacht Bertha verheugd, straks gaat hij ook wel weer een beestje snijden.
Maar de Verrekijker werd aldoor zwijgzamer. Hij kon niets over een ver land vertellen of hij werd meteen door de zwerver overtroefd. De kennis uit boek en bedenking was tegen eigen belevenis niet bestand. Meer dan eens had hij daardoor beweringen terug moeten nemen. Allengs beperkte hij zich tot gebieden die de zwerver niet had kunnen bezoeken, de geschiedenis en de sterrenwereld, maar ook daarin liet de zwerver hem niet uitspreken.
‘Wat voorbij is is voorbij en op de sterren komen wij nooit. Waar blijven de dichters van het Cambrium en van het Carboon!’ riep die eens uit. ‘Wie heeft er ooit de Grote Beer bezongen om van de Kleine maar te zwijgen. Inspiratie gaat er niet van uit. Van alle sterren bij elkaar, de sterrenhemel wel. Maar waarom is dat? Niet om die spikkeltjes maar omdat daaronder de dingen worden gedaan die het grote licht niet kunnen verdragen. De nachtelijke hemel wordt bezongen als de grote medeplichtige.’
De Verrekijker keurde zulke uitlatingen geen antwoord waardig. Het was duidelijk dat hij de zwerver hoe langer hoe meer zag als een milieuverontreiniging.
Zo was de toestand overdag maar ’s nachts werd het doel van de samenzwering voorbijgeschoten en de vraag of dit al meteen in het achterhoofd van de zwerver heeft gezeten heeft weinig zin want het is nu eenmaal aan alle zwervers eigen met elke vrouw die in hun buurt komt wat te beginnen. Levenslange verbintenissen zijn hun een gruwel, dus moet het wel op deze manier.
Om kort te gaan, tante Bertha werd op de zwerver verliefd. Dat was weer geen wonder want ten eerste was hij een echte kerel, ten tweede wist hij net zulke interessante dingen te vertellen als de Verrekijker en ten derde, wat op zichzelf al voldoende was geweest, had zij in de liefde alles aan Kristoffel moeten bijbrengen, hier waren de rollen omgekeerd. Die zwerver beheerste het hele terrein. Geen volk op aarde of hij kende er de geraffineerde trucs van. De Macedonische kus, de Caraïbische handgrep, de Engelse kruiwagen, het waren alle evenzoveel openbaringen voor de vrouw die tot dusverre altijd volgens de traditie van het boerenland en haar eigen instincten te werk was gegaan.
Evenals de yogaleer mensen pas bewust maakt voor alle delen van hun lichaam maakte de zwerver haar bewust van plekken waar zij nooit speciaal aan had gedacht maar in plaats van rust en harmonie, die de yoga moet brengen sloegen haar dan aan alle kanten de vlammen uit.
____
zaterdag 19 december 2009
De andere kant van het spreken te zijn
Ik zou willen dat er achter mij een stem zou zijn (een stem die al lang het woord had genomen, alles wat ik ga zeggen bij voorbaat verdubbelend) die zo zou spreken: ‘Doorgaan! Ik kan niet doorgaan. Je moet doorgaan. Er moeten woorden worden gezegd zolang er nog zijn, ze moeten worden gezegd, tot ze mij vinden, tot ze mij zeggen – vreemde inspanning, vreemd tekort, je moet doorgaan, misschien is het al gebeurd, misschien hebben ze mij al gezegd, misschien hebben ze me al tot de drempel van mijn bestaan gedragen, tot voor de poort die mijn geschiedenis ontsluit, het zou mij verbazen als zij open ging’.
Veel mensen kennen, denk ik, zo’n verlangen niet te hoeven beginnen, zo’n verlangen om van meet af aan de andere kant van het spreken te zijn, om maar niet het eigenaardige, het angstaanjagende, het misschien wel onheilspellende dat er in het spreken gelegen zou kunnen zijn van buitenaf te moeten nagaan. Op deze zo algemene wens antwoordt het instituut met ironie, want een begin wordt tot iets plechtigs gemaakt, in een sfeer van aandacht en stilte gewikkeld, en er worden rituele vormen aan opgelegd als het om het al van verre aan te kondigen.
Het verlangen zegt: ‘Ik zou liever niet zelf die riskante orde van het spreken hoeven binnengaan; ik zou liever niet te maken hebben met de scherpe en beslissende kanten ervan; ik zou willen dat ik er als een rustige, diepe, eindeloos open doorzichtigheid door werd omgeven, waarin de waarheden zich één voor één verheffen; ik zou mij dan slechts hoeven laten dragen, in en door die orde, als onbekommerd drijfhout’. En het instituut antwoordt: ‘Wees niet bang om te beginnen. Wij zijn allen hier om je te laten zien dat het spreken binnen de orde van de wetten valt, dat er sinds lang over zijn articulatie wordt gewaakt, dat het een plaats is bereid die het eert, maar ook ontwapent, en dat mocht het spreken al enige macht bezitten, deze macht van ons en van ons alleen stamt’.
Maar misschien zijn dit instituut en dit verlangen niet anders dan twee tegengestelde reacties op eenzelfde verontrusting. Verontrusting over de vraag wat nu toch het spreken in zijn materiële werkelijkheid van gesproken of geschreven ding is; verontrusting over die vluchtige bestaansvorm, die stellig bestemd is te vervagen, maar dan volgens een tijdsverloop dat ons niet toebehoort; verontrusting omdat wij onder die weliswaar grauwe en alledaagse bezigheid slecht voorstelbare machten en gevaren bespeuren; verontrusting omdat wij dwars door al die woorden waarvan het zo langdurig gebruik de scherpe kanten sleet strijd, zeges, wonden, overheersing en horigheid vermoeden.
Maar wat is er zo gevaarlijk in het feit dat mensen praten en dat hun spreken eindeloos voortwoekert? Waarin schuilt het gevaar?
Veel mensen kennen, denk ik, zo’n verlangen niet te hoeven beginnen, zo’n verlangen om van meet af aan de andere kant van het spreken te zijn, om maar niet het eigenaardige, het angstaanjagende, het misschien wel onheilspellende dat er in het spreken gelegen zou kunnen zijn van buitenaf te moeten nagaan. Op deze zo algemene wens antwoordt het instituut met ironie, want een begin wordt tot iets plechtigs gemaakt, in een sfeer van aandacht en stilte gewikkeld, en er worden rituele vormen aan opgelegd als het om het al van verre aan te kondigen.
Het verlangen zegt: ‘Ik zou liever niet zelf die riskante orde van het spreken hoeven binnengaan; ik zou liever niet te maken hebben met de scherpe en beslissende kanten ervan; ik zou willen dat ik er als een rustige, diepe, eindeloos open doorzichtigheid door werd omgeven, waarin de waarheden zich één voor één verheffen; ik zou mij dan slechts hoeven laten dragen, in en door die orde, als onbekommerd drijfhout’. En het instituut antwoordt: ‘Wees niet bang om te beginnen. Wij zijn allen hier om je te laten zien dat het spreken binnen de orde van de wetten valt, dat er sinds lang over zijn articulatie wordt gewaakt, dat het een plaats is bereid die het eert, maar ook ontwapent, en dat mocht het spreken al enige macht bezitten, deze macht van ons en van ons alleen stamt’.
Maar misschien zijn dit instituut en dit verlangen niet anders dan twee tegengestelde reacties op eenzelfde verontrusting. Verontrusting over de vraag wat nu toch het spreken in zijn materiële werkelijkheid van gesproken of geschreven ding is; verontrusting over die vluchtige bestaansvorm, die stellig bestemd is te vervagen, maar dan volgens een tijdsverloop dat ons niet toebehoort; verontrusting omdat wij onder die weliswaar grauwe en alledaagse bezigheid slecht voorstelbare machten en gevaren bespeuren; verontrusting omdat wij dwars door al die woorden waarvan het zo langdurig gebruik de scherpe kanten sleet strijd, zeges, wonden, overheersing en horigheid vermoeden.
Maar wat is er zo gevaarlijk in het feit dat mensen praten en dat hun spreken eindeloos voortwoekert? Waarin schuilt het gevaar?
____
Gevangengezet
Marian ging op de stenen rand van de vijver zitten. Thans werd ze zich bewust van de zoetgeurende bestruikte donkerte om haar heen, van de omvang van het dichtbij gelegen huis dat zich aftekende tegen een lucht, blauwzwart getint door een verscholen maan. Door een der ramen, welk kon ze niet uitmaken, scheen licht. De stenen waren nog warm van de zon. De lantaarn flakkerde, gleed over het water en doofde.
Marian vroeg: ‘Meneer Nolan, zou u het erg vinden als ik u een paar vragen stelde?’
Het leek haar als stond hij op het punt weg te gaan. Vaag kon ze zijn hoofd en schouders boven haar zien uitsteken. ‘Wat voor vragen?’
‘Wat is er hier toch aan de hand?’
Hij wachtte even met antwoorden. Toen stak hij de lantaarn aan en liet het licht snel cirkelen. De donkergroene bremstruiken, een wazige vlek grasklokjes, witte madeliefjes en wikke lichtten op, verdonkerden weer. Hij antwoordde: ‘Er is hier niets aan de hand. U kent de eenzaamheid niet’.
‘Scheep me daar niet mee af’, zei Marian. Zodra ze van het grindpad was afgestapt, had ze geweten dat het ogenblik van de onthullingen was aangebroken. ‘Gaat u zitten, meneer Nolan. U moet ’t me vertellen, tenminste iets. Wat is er zeven jaar geleden gebeurd?’
Hij viel op een knie naast haar neer; zijn silhouet verdween tegen de donkere achtergrond van de tuin. ‘Niets is er gebeurd. Niets bijzonders. Waarom?’
‘Kom nou’, zei Marian. ‘Ik weet al een heleboel. Ik weet bijvoorbeeld dat meneer Crean-Smith van de rots is gevallen en zo. U moet me meer vertellen. Er is hier iets heel vreemds aan de hand en het is niet alleen de eenzaamheid. Daar ben ik zeker van. Praat alstublieft met me. U moet toch begrijpen hoe moeilijk het hier voor me is en hoe afschuwelijk zelfs in sommige opzichten. Vertel het me, anders zal ik het iemand anders moeten vragen’. Ze sprak spontaan, zonder het te hebben overdacht en ze voelde dat ze Nolan had geraakt. Hij ging zitten. Hun knieën waren dicht bijeen op de warme ruwe steen.
‘Ik kan u niets vertellen’.
‘Is er dan iets te vertellen? Maar als het de bedoeling is dat ik hier blijf, moet ik het toch weten om niet helemaal gek te worden…’
‘Zoals wij allemaal…’ zei hij zacht.
‘Vertel ’t me alstublieft. Anders zal ik mevrouw Crean-Smith erom moeten vragen’.
‘Dat moet u niet doen…’
Hij was geschrokken. Opnieuw had ze de juiste toon weten aan te slaan. ‘Kom nou, Denis’. Zonder enige moeite kon ze nu zijn naam uitspreken.
‘Luister eens… eh… wacht eens even’. Nogmaals liet hij het licht cirkelen, langzaam, behoedzaam. De lichten in het huis waren gedoofd. ‘Ik zal je iets vertellen, want het is waar dat iets moet weten als je hier wilt blijven. En ik heb liever dat je het van mij hoort dan van een ander’. Hij wachtte even. Ze hoorde de plons van een vis die het oppervlak doorbrak. ‘Je wilt weten wat er hier aan de hand is. Dat zal ik je vertellen. Het is een gevangenis… dat is er hier aan de hand’.
‘Een gevangenis?’ vroeg Marian verbaasd en gespannen nu de onthulling zo nabij was. Haar hart begon te bonzen. ‘Een gevangenis? Maar wie is dan de gevangene?’
‘Mevrouw Crean-Smith’.
Ineens besefte ze dat ze dit al half geweten had. Maar hoe had ze het kunnen weten, want zelfs nu begreep ze het nog niet. ‘En wij zijn de cipiers?’
‘Meneer Scottow. Juffrouw Evercreech. Jamesie. Jij. Ik’.
‘Nee, nee!’ zei ze. ‘Ik niet. Ik begrijp niet waar je ’t over hebt. Bedoel je dat mevrouw Crean-Smith daar… daar opgesloten zit? Gevangengezet?’
‘Ja’.
‘Maar dat is krankzinnig. En meneer Crean-Smith dan? Waarom komt hij haar niet…?’
‘Bevrijden? Het is zijn wens dat ze zit opgesloten’.
‘Ik begrijp er niets van’, zei Marian. Weer voelde ze de misselijk makende paniek die bij het tuinhek over haar gekomen was en die ze de eerste dag voorvoeld had. ‘Is mevrouw ziek… ik bedoel gek of gevaarlijk of zo?’
‘Nee’.
Marian vroeg: ‘Meneer Nolan, zou u het erg vinden als ik u een paar vragen stelde?’
Het leek haar als stond hij op het punt weg te gaan. Vaag kon ze zijn hoofd en schouders boven haar zien uitsteken. ‘Wat voor vragen?’
‘Wat is er hier toch aan de hand?’
Hij wachtte even met antwoorden. Toen stak hij de lantaarn aan en liet het licht snel cirkelen. De donkergroene bremstruiken, een wazige vlek grasklokjes, witte madeliefjes en wikke lichtten op, verdonkerden weer. Hij antwoordde: ‘Er is hier niets aan de hand. U kent de eenzaamheid niet’.
‘Scheep me daar niet mee af’, zei Marian. Zodra ze van het grindpad was afgestapt, had ze geweten dat het ogenblik van de onthullingen was aangebroken. ‘Gaat u zitten, meneer Nolan. U moet ’t me vertellen, tenminste iets. Wat is er zeven jaar geleden gebeurd?’
Hij viel op een knie naast haar neer; zijn silhouet verdween tegen de donkere achtergrond van de tuin. ‘Niets is er gebeurd. Niets bijzonders. Waarom?’
‘Kom nou’, zei Marian. ‘Ik weet al een heleboel. Ik weet bijvoorbeeld dat meneer Crean-Smith van de rots is gevallen en zo. U moet me meer vertellen. Er is hier iets heel vreemds aan de hand en het is niet alleen de eenzaamheid. Daar ben ik zeker van. Praat alstublieft met me. U moet toch begrijpen hoe moeilijk het hier voor me is en hoe afschuwelijk zelfs in sommige opzichten. Vertel het me, anders zal ik het iemand anders moeten vragen’. Ze sprak spontaan, zonder het te hebben overdacht en ze voelde dat ze Nolan had geraakt. Hij ging zitten. Hun knieën waren dicht bijeen op de warme ruwe steen.
‘Ik kan u niets vertellen’.
‘Is er dan iets te vertellen? Maar als het de bedoeling is dat ik hier blijf, moet ik het toch weten om niet helemaal gek te worden…’
‘Zoals wij allemaal…’ zei hij zacht.
‘Vertel ’t me alstublieft. Anders zal ik mevrouw Crean-Smith erom moeten vragen’.
‘Dat moet u niet doen…’
Hij was geschrokken. Opnieuw had ze de juiste toon weten aan te slaan. ‘Kom nou, Denis’. Zonder enige moeite kon ze nu zijn naam uitspreken.
‘Luister eens… eh… wacht eens even’. Nogmaals liet hij het licht cirkelen, langzaam, behoedzaam. De lichten in het huis waren gedoofd. ‘Ik zal je iets vertellen, want het is waar dat iets moet weten als je hier wilt blijven. En ik heb liever dat je het van mij hoort dan van een ander’. Hij wachtte even. Ze hoorde de plons van een vis die het oppervlak doorbrak. ‘Je wilt weten wat er hier aan de hand is. Dat zal ik je vertellen. Het is een gevangenis… dat is er hier aan de hand’.
‘Een gevangenis?’ vroeg Marian verbaasd en gespannen nu de onthulling zo nabij was. Haar hart begon te bonzen. ‘Een gevangenis? Maar wie is dan de gevangene?’
‘Mevrouw Crean-Smith’.
Ineens besefte ze dat ze dit al half geweten had. Maar hoe had ze het kunnen weten, want zelfs nu begreep ze het nog niet. ‘En wij zijn de cipiers?’
‘Meneer Scottow. Juffrouw Evercreech. Jamesie. Jij. Ik’.
‘Nee, nee!’ zei ze. ‘Ik niet. Ik begrijp niet waar je ’t over hebt. Bedoel je dat mevrouw Crean-Smith daar… daar opgesloten zit? Gevangengezet?’
‘Ja’.
‘Maar dat is krankzinnig. En meneer Crean-Smith dan? Waarom komt hij haar niet…?’
‘Bevrijden? Het is zijn wens dat ze zit opgesloten’.
‘Ik begrijp er niets van’, zei Marian. Weer voelde ze de misselijk makende paniek die bij het tuinhek over haar gekomen was en die ze de eerste dag voorvoeld had. ‘Is mevrouw ziek… ik bedoel gek of gevaarlijk of zo?’
‘Nee’.
____
donderdag 17 december 2009
Dat de problemen precies daar beginnen
Er was op deze dag – tijdens de lunchpauzepauze – iemand die wilde weten hoe ik werk,
waar mijn ideeën vandaan komen. Tja, zei ik, het probleem van de idee is
dat de problemen precies daar beginnen waar ze vandaan komt, neem nu dit gesprek,
(...)
Het kan zijn, zei ik, dat iets toevallig langsscheert – een ekster. ’s Avonds
wist ik terwijl ik uit het raam vloog hoe het juiste antwoord klonk: schel en zuiver.
waar mijn ideeën vandaan komen. Tja, zei ik, het probleem van de idee is
dat de problemen precies daar beginnen waar ze vandaan komt, neem nu dit gesprek,
(...)
Het kan zijn, zei ik, dat iets toevallig langsscheert – een ekster. ’s Avonds
wist ik terwijl ik uit het raam vloog hoe het juiste antwoord klonk: schel en zuiver.
12.15 uur tot 13.00 uur [fragment]
____
woensdag 16 december 2009
In relationship with real people
What keeps me going is that I realized, sometime in my forties or early fifties, I couldn’t just dig down inside myself and pump it out like in my thirties. Then I realized that I got my energy for this work from other people, so the self must stay in connection with others, new others, others that have more talent and more vision and more power than you have. That energizes you and keeps you going. Without that, you will ossify. You can call it what you want. You can call it community, you can call it necessity. You’ve got to be in relationship with real people. I try to stay in touch with everyday, ordinary citizens. I don’t need celebs. The big power, you can’t have a relationship with. They don’t want you, they don’t need you.
A priest and two ex-seminars : Ed Chambers [fragment]
A priest and two ex-seminars : Ed Chambers [fragment]
____
dinsdag 15 december 2009
Een schijnkarakter
Zo is dat met ons leven ook: het ene rotgeintje na het andere – er wordt een goot vervangen of een wasmachine gerepareerd – maar een verhaal wordt het niet. En anders (...) wordt het thema niet fatsoenlijk aangekondigd en ontbreken daarna plotontwikkeling, variatie, recapitulatie, een slotfrase en een knerpende conclusie. Je hoort een enkele opbeurende aria en veel prozaïsche recitatieven, maar compositorisch wordt er weinig uitgewerkt. ‘Het leven is lang noch kort; het kent slechts saaie periodes.’
Wanneer we dus bij het naderen van de dood op ons leven terugkijken, ‘ons verhaal begrijpen’ en er definitief betekenis aan geven, doen we weinig meer, vermoed ik, dan dingen verzinnen: we weven vreemde, onbegrijpelijke en tegenstrijdige gegevens tot een geloofwaardig verhaal. Het maakt niet uit wat voor verhaal, zolang we het vooral zelf geloven. Ik heb niets tegen de atavistische behoefte aan verhalen – niet in het minst omdat ik er mijn brood mee verdien – maar ik kijk er met argwaan tegenaan. Ik denk dat ik een stervende en onbetrouwbare verteller zou vinden, want wat voor ons van nut is staat doorgaans op gespannen voet met de werkelijkheid en wat voor ons het meest van nut is op het moment van sterven is het gevoel dat ons leven zin heeft gehad en een begrijpelijke verhaallijn heeft.
Artsen, priesters en schrijvers zweren samen om het menselijk leven te presenteren als een verhaal dat zich ontwikkelt naar een betekenisvol einde. Braaf delen we ons leven op, precies zoals historici een eeuw in decennia opdelen en elk ervan een schijnkarakter geven. Toen ik klein was dacht ik nooit volwassen te kunnen worden, leek de volwassenheid een mengeling van onbereikbare vaardigheden en onbenijdenswaardige zorgen (pensioenen, gebitten, chiropodisten). En toch werd ik volwassen, al voelde het anders dan het tevoren leek. Volwassen zijn voelde ook niet als een prestatie. Het leek eerder een complot: ik doe alsof jij volwassen bent als jij doet alsof ik het ben. Daarna stomen we als erkende (in ieder geval niet door de mand gevallen) volwassenen door naar een meer volkomen, rijpere toestand, waarin het verhaal zichzelf bewijst en wij dienen te verkondigen (of schuchter te erkennen) dat ‘rijpheid alles is’. Maar hoe vaak gaat zo’n fruitmetafoor op? We lopen evenveel kans zuur en ongeplukt, uitgedroogd en rimpelig onder de boom te eindigen als trots een dikke, rijpe vrucht te worden.
Wanneer we dus bij het naderen van de dood op ons leven terugkijken, ‘ons verhaal begrijpen’ en er definitief betekenis aan geven, doen we weinig meer, vermoed ik, dan dingen verzinnen: we weven vreemde, onbegrijpelijke en tegenstrijdige gegevens tot een geloofwaardig verhaal. Het maakt niet uit wat voor verhaal, zolang we het vooral zelf geloven. Ik heb niets tegen de atavistische behoefte aan verhalen – niet in het minst omdat ik er mijn brood mee verdien – maar ik kijk er met argwaan tegenaan. Ik denk dat ik een stervende en onbetrouwbare verteller zou vinden, want wat voor ons van nut is staat doorgaans op gespannen voet met de werkelijkheid en wat voor ons het meest van nut is op het moment van sterven is het gevoel dat ons leven zin heeft gehad en een begrijpelijke verhaallijn heeft.
Artsen, priesters en schrijvers zweren samen om het menselijk leven te presenteren als een verhaal dat zich ontwikkelt naar een betekenisvol einde. Braaf delen we ons leven op, precies zoals historici een eeuw in decennia opdelen en elk ervan een schijnkarakter geven. Toen ik klein was dacht ik nooit volwassen te kunnen worden, leek de volwassenheid een mengeling van onbereikbare vaardigheden en onbenijdenswaardige zorgen (pensioenen, gebitten, chiropodisten). En toch werd ik volwassen, al voelde het anders dan het tevoren leek. Volwassen zijn voelde ook niet als een prestatie. Het leek eerder een complot: ik doe alsof jij volwassen bent als jij doet alsof ik het ben. Daarna stomen we als erkende (in ieder geval niet door de mand gevallen) volwassenen door naar een meer volkomen, rijpere toestand, waarin het verhaal zichzelf bewijst en wij dienen te verkondigen (of schuchter te erkennen) dat ‘rijpheid alles is’. Maar hoe vaak gaat zo’n fruitmetafoor op? We lopen evenveel kans zuur en ongeplukt, uitgedroogd en rimpelig onder de boom te eindigen als trots een dikke, rijpe vrucht te worden.
maandag 14 december 2009
His exercise book remains empty
Let us imagine a poor black man – these days it could be a woman – who has managed because of frightful sacrifices by his parents, and then himself, sometimes walking miles to school every day, to get himself some kind of certificate, and with that, a clerk’s job. He has read enough to know that his everyday experiences could make tales that would be printed and admired. He dreams of writing them. But he lives, let us say, in old Soweto, and his working conditions make it hard for him to sustain creative energy, and then he cannot help observing how the black writers still in South Africa are treated. Those who have fled, sometimes a few steps in front of the police, are in exile in London and New York and in universities which these days so often give shelter to victims of persecution. He heard some are drinking too much, dying young, often not writing much. In the evenings he sits at a table where his mother and then his wife have cleared the supper things, he lights the oil lamp, he gets out his exercise book, he takes up his biro, and then – he stops. What he would like to write about are his daily struggles, the miseries of poverty, the attentions of the police, the efforts of his women to feed him and the children, how it feels to watch and – this is the worst – how his talented children are going to waste. He knows that simply to describe his life could be seen as an act of sedition; these days everyone knows what the daily lives of people are in luckier countries. He sits on, staring at the bricks of his wall, which he may have built himself. Would he have to leave his home, his family? Who would look after them? His exercise book remains empty. His own talents, let alone his children’s, will remain unfulfilled.
How many of such people were there? How many now in various parts of the world? In Zimbabwe the police may sit in on writers’ meetings, nothing secret about it; or they harass writers, or influence reviewers and editors against them. They drop in to say to a writer they hear such and such a book is being planned, but it would be better to think again. At this very moment, everywhere from China to Indonesia to South America to parts of Africa, a woman or man is thinking, But I daren’t write it. Talent is not necessarily allied to a readiness for martyrdom, or even courage. Why should it be? Such is our time’s history that our paradigm has to be an Ernst Toller, Solzhenitsyn, the killed or persecuted writers to some Muslim countries. A good thing for writers to be talented, but to be noticed it is even better if they are in prison or fighting cancer or, like Rushdie, sentenced to death. Writers as victims, that’s our mental set, but we scarcely notice the wasted or disappointed ones.
How many of such people were there? How many now in various parts of the world? In Zimbabwe the police may sit in on writers’ meetings, nothing secret about it; or they harass writers, or influence reviewers and editors against them. They drop in to say to a writer they hear such and such a book is being planned, but it would be better to think again. At this very moment, everywhere from China to Indonesia to South America to parts of Africa, a woman or man is thinking, But I daren’t write it. Talent is not necessarily allied to a readiness for martyrdom, or even courage. Why should it be? Such is our time’s history that our paradigm has to be an Ernst Toller, Solzhenitsyn, the killed or persecuted writers to some Muslim countries. A good thing for writers to be talented, but to be noticed it is even better if they are in prison or fighting cancer or, like Rushdie, sentenced to death. Writers as victims, that’s our mental set, but we scarcely notice the wasted or disappointed ones.
Censorship [fragment]
____
zaterdag 12 december 2009
Waarom, als het kan opgepikt uit de stroom?
Waarom zou je jezelf tot verbijstering brengen
als het kan opgepikt uit de stroom
die je dagelijks overspoelt?
Moet het onzegbaar worden?
Het is zegbaar, mens,
het is doodgewoon.
Waarom wil je het per se als iets groots?
Anderen hebben het onder de arm
terwijl ze de straat oversteken.
Het is makkelijk te lezen,
het heeft staatsie noch galm.
Het maakt onverschillig,
dat is al.
als het kan opgepikt uit de stroom
die je dagelijks overspoelt?
Moet het onzegbaar worden?
Het is zegbaar, mens,
het is doodgewoon.
Waarom wil je het per se als iets groots?
Anderen hebben het onder de arm
terwijl ze de straat oversteken.
Het is makkelijk te lezen,
het heeft staatsie noch galm.
Het maakt onverschillig,
dat is al.
Waarom zou je? [fragment]
____
Nooit volledig opgelost
Herinneringen zijn niet van ons maar van een chemie
die ons maar op te schrijven heeft. Tijd maakt zich
in jaren op maar wat eerder uit het gezicht verdween,
raakt nooit volledig opgelost. Een geur, een blad,
een beeld, het kan voldoende zijn om los te slaan
wat in ons als in steen gebeiteld zat. Dingen die niet
te rijmen zijn vinden jaren later uitkomst bij elkaar.
Winter kantelt al en keert zich om. Geheugen spreek
en haal weer op, herhaal wat niet verloren ging.
Harkend met lichtmis in de sneeuw valt alles weer
met alles samen. In mijn handen ligt opnieuw de schaar.
Het bericht geknipt, het lijkt futiel: jouw dood staat in de krant.
Bloot en bros een feit. Alweer een man die ergens, even,
op een plaats bestond, namen droeg die een ander
heeft genoemd. Maar kranten zeggen niks over
waar het echt om gaat. Kranten verknallen het,
drukken achterover in al hun haast, houden
zelden vast wat langer dan een datum duurt.
die ons maar op te schrijven heeft. Tijd maakt zich
in jaren op maar wat eerder uit het gezicht verdween,
raakt nooit volledig opgelost. Een geur, een blad,
een beeld, het kan voldoende zijn om los te slaan
wat in ons als in steen gebeiteld zat. Dingen die niet
te rijmen zijn vinden jaren later uitkomst bij elkaar.
Winter kantelt al en keert zich om. Geheugen spreek
en haal weer op, herhaal wat niet verloren ging.
Harkend met lichtmis in de sneeuw valt alles weer
met alles samen. In mijn handen ligt opnieuw de schaar.
Het bericht geknipt, het lijkt futiel: jouw dood staat in de krant.
Bloot en bros een feit. Alweer een man die ergens, even,
op een plaats bestond, namen droeg die een ander
heeft genoemd. Maar kranten zeggen niks over
waar het echt om gaat. Kranten verknallen het,
drukken achterover in al hun haast, houden
zelden vast wat langer dan een datum duurt.
Chemie
____
donderdag 10 december 2009
Koudespiegelingen
Het is geen goed idee om verliefd te worden in de winter. De symptomen zijn veel subliemer en pijnlijker. Door het volmaakte licht bij koude ga je je tijdens het wachten meer verlustigen in zondige gedachten. Rillen maakt koortsachtig. Wie zijn hart verliest op de feestdag van de heilige Lucia, krijgt drie maanden lang de bibberatie.
De andere jaargetijden hebben hun frutsels, bloemknoppen, trossen en lover waarop je je gemoedstoestanden kunt projecteren. De winterse kaalheid biedt geen enkel houvast. Er bestaat iets dat verraderlijk er is dan woestijnspiegelingen en dat zijn de beruchte koudespiegelingen, de oases van de poolcirkel, schandalige schoonheid die kan ontstaan als de temperatuur beneden het vriespunt zakt.
De winter en de liefde hebben met elkaar gemeen dat je ernaar verlangt uit die beproeving verlost te worden, maar het samengaan van die twee toestanden maakt verlossing onmogelijk. Kou met warmte verdrijven staat de liefde tegen als iets obsceens, hartstocht laten bekoelen door frisse lucht binnen te laten, voert je in recordtijd naar het graf.
Mijn koudespiegeling heette Astrolabe. Ik zag haar overal. De eindeloze winternachten waarin ze in haar onverwarmde hok zat te rillen, doorstond ik in gedachten samen met haar. Liefde sluit zelfgenoegzaamheid uit: in plaats van me de warmte voor te stellen die mijn lichaam het hare had kunnen schenken, daalde ik samen met mijn aangebedene de thermometerschaal af. Er waren geen grenzen aan de ijzige kou waarin we samen konden branden.
De kou was geen bedreiging meer, maar een onweerstaanbare kracht die ons bezielde en uit eigen naam sprak: ‘Ik ben de kou en de reden dat ik het universum beheers is zo simpel dat niemand eraan denkt: ik heb er behoefte aan dat de mensen door mij getroffen worden. Dat geldt voor iedere kunstenaar, maar geen enkele kunstenaar is daar zo goed in geslaagd als ik: alle mensen en alle werelden worden door mij getroffen. Als de zon en de andere sterren zullen zijn gedoofd, zal ik nog steeds schitteren, en alle doden en alle levenden zullen in mijn greep zijn. Wat de intenties des hemels ook mogen zijn, de enige zekerheid is dat ik het laatste woord zal hebben. Zoveel trots sluit bescheidenheid niet uit: ik ben niets als je me niet voelt, ik besta alleen als de anderen rillen, ook de kou heeft brandstof nodig, mijn brandstof is het lijden van jullie allemaal, tot in de eeuwen der eeuwen.’
Dapper verdroeg ik de kou, niet alleen om het lot van mijn geliefde te delen, maar ook om die universele kunstenaar hulde te brengen.
Stomverbaasd lees ik over wat ik net heb geschreven: als iemand die over een paar uur een vliegtuig met een honderdtal passagiers aan boord zal opblazen de kans krijgt om zijn allerlaatste gedachten te noteren, vervalt hij kennelijk tot het meest geëxalteerde lyrisme.
De andere jaargetijden hebben hun frutsels, bloemknoppen, trossen en lover waarop je je gemoedstoestanden kunt projecteren. De winterse kaalheid biedt geen enkel houvast. Er bestaat iets dat verraderlijk er is dan woestijnspiegelingen en dat zijn de beruchte koudespiegelingen, de oases van de poolcirkel, schandalige schoonheid die kan ontstaan als de temperatuur beneden het vriespunt zakt.
De winter en de liefde hebben met elkaar gemeen dat je ernaar verlangt uit die beproeving verlost te worden, maar het samengaan van die twee toestanden maakt verlossing onmogelijk. Kou met warmte verdrijven staat de liefde tegen als iets obsceens, hartstocht laten bekoelen door frisse lucht binnen te laten, voert je in recordtijd naar het graf.
Mijn koudespiegeling heette Astrolabe. Ik zag haar overal. De eindeloze winternachten waarin ze in haar onverwarmde hok zat te rillen, doorstond ik in gedachten samen met haar. Liefde sluit zelfgenoegzaamheid uit: in plaats van me de warmte voor te stellen die mijn lichaam het hare had kunnen schenken, daalde ik samen met mijn aangebedene de thermometerschaal af. Er waren geen grenzen aan de ijzige kou waarin we samen konden branden.
De kou was geen bedreiging meer, maar een onweerstaanbare kracht die ons bezielde en uit eigen naam sprak: ‘Ik ben de kou en de reden dat ik het universum beheers is zo simpel dat niemand eraan denkt: ik heb er behoefte aan dat de mensen door mij getroffen worden. Dat geldt voor iedere kunstenaar, maar geen enkele kunstenaar is daar zo goed in geslaagd als ik: alle mensen en alle werelden worden door mij getroffen. Als de zon en de andere sterren zullen zijn gedoofd, zal ik nog steeds schitteren, en alle doden en alle levenden zullen in mijn greep zijn. Wat de intenties des hemels ook mogen zijn, de enige zekerheid is dat ik het laatste woord zal hebben. Zoveel trots sluit bescheidenheid niet uit: ik ben niets als je me niet voelt, ik besta alleen als de anderen rillen, ook de kou heeft brandstof nodig, mijn brandstof is het lijden van jullie allemaal, tot in de eeuwen der eeuwen.’
Dapper verdroeg ik de kou, niet alleen om het lot van mijn geliefde te delen, maar ook om die universele kunstenaar hulde te brengen.
Stomverbaasd lees ik over wat ik net heb geschreven: als iemand die over een paar uur een vliegtuig met een honderdtal passagiers aan boord zal opblazen de kans krijgt om zijn allerlaatste gedachten te noteren, vervalt hij kennelijk tot het meest geëxalteerde lyrisme.
woensdag 9 december 2009
Een betere kans op overleving
Zo kwam het dat hij, die 16de september 1943, onder de hanebalken van een oud gebouw bezig was met het verstevigen van een gebint, toen de sirene weerklonk onder Nantes – het geloei van een in het nauw gedreven dier waarmee de bewoners hadden leren leven. Sinds enkele weken klonk het ene alarm na het andere, zonder nadelige gevolgen behalve een gedwongen werkonderbreking van een klein uur. Onmiddellijk staakte de bevolking iedere activiteit en snelde naar de schuilplaatsen ingericht in de diep onder de grond gelegen kelders van de oude stad. De stenen gewelven die al drie of vier eeuwen hadden doorstaan, deden weer dienst. Tegen de agressiefste uiting van de moderne tijd stelde men zich te weer met de vakkennis der kathedraalbouwers.
Een lucht van schimmel komt degenen tegemoet die zich eigener beweging onder de grond begeven en zich wanordelijk verdringen op de banken, een geheel nieuwe variant van de stoelendans eten beste gevend, waarbij oud-strijders en invaliden – en dat zijn vaak dezelfden – een kaart met foto tonen en voorrang eisen, in de mening zich op grond van in het verleden betoonde dapperheid een kleine welverdiende lafheid te kunnen veroorloven. Daarin blijken ze gelijk te hebben, maar degenen die ostentatief opstaan, geven niet zozeer hun zitplaats alswel een lesje. Het keldergewelf, gewonnen op de slibbige stroken grond langs de rivier, zweet door de brokkelige voegen tussen de breukstenen zijn overtollig vocht uit. Degenen die zijn blijven staan aarzelen om steun te zoeken tegen de sijpelende muren die op sommige plaatsen bedekt zijn met salpeter, als een voorbode van de explosies die boven hun hoofden te gebeuren staan. Een kale peer aan een draad legt voor een ieder de angsten van de ander bloot. Sommigen blijven liever in het schemerduister om vóór zich te houden wat de kring van licht meedogenloos onthult. De blikken kruisen elkaar, vermijden elkaar, brengen een vluchtige verstandhouding tot stand, wenden zich af als vertrouwelijkheid dreigt te ontstaan. De nabijheid van de dood is nog geen reden het decorum uit het oog te verliezen. De vrouwen, de benen tegen elkaar geklemd, trekken aan hun zomerjurken die de knie vrijlaten en nog nooit zo kort zijn geweest. Soms heeft de schaarste haar goede kanten wanneer er op stof wordt bezuinigd, een lust voor het oog. De man die daar vooroverbogen zit, de ellebogen op de knieën gesteund, het gezicht in de handen, zou voor niets ter wereld van plaats willen ruilen. De oogleden half gesloten, terwijl hij eruitziet alsof hij doodsbang is, vangt hij in zijn blikveld de over elkaar geslagen benen van zijn buurvrouw. Toch zou het op dit moment niet misplaatst zijn een arm om bevende schouders te slaan, een troostende hand stevig om een angstige hand te leggen, want de vrees is soms zo hevig dat haren recht overeind gaan staan of wit worden in de tijdsduur van een alarm.
Allen vragen zich af of de plaats van degene naast hem niet een betere kans op overleving zou bieden dan de eigen.
Een lucht van schimmel komt degenen tegemoet die zich eigener beweging onder de grond begeven en zich wanordelijk verdringen op de banken, een geheel nieuwe variant van de stoelendans eten beste gevend, waarbij oud-strijders en invaliden – en dat zijn vaak dezelfden – een kaart met foto tonen en voorrang eisen, in de mening zich op grond van in het verleden betoonde dapperheid een kleine welverdiende lafheid te kunnen veroorloven. Daarin blijken ze gelijk te hebben, maar degenen die ostentatief opstaan, geven niet zozeer hun zitplaats alswel een lesje. Het keldergewelf, gewonnen op de slibbige stroken grond langs de rivier, zweet door de brokkelige voegen tussen de breukstenen zijn overtollig vocht uit. Degenen die zijn blijven staan aarzelen om steun te zoeken tegen de sijpelende muren die op sommige plaatsen bedekt zijn met salpeter, als een voorbode van de explosies die boven hun hoofden te gebeuren staan. Een kale peer aan een draad legt voor een ieder de angsten van de ander bloot. Sommigen blijven liever in het schemerduister om vóór zich te houden wat de kring van licht meedogenloos onthult. De blikken kruisen elkaar, vermijden elkaar, brengen een vluchtige verstandhouding tot stand, wenden zich af als vertrouwelijkheid dreigt te ontstaan. De nabijheid van de dood is nog geen reden het decorum uit het oog te verliezen. De vrouwen, de benen tegen elkaar geklemd, trekken aan hun zomerjurken die de knie vrijlaten en nog nooit zo kort zijn geweest. Soms heeft de schaarste haar goede kanten wanneer er op stof wordt bezuinigd, een lust voor het oog. De man die daar vooroverbogen zit, de ellebogen op de knieën gesteund, het gezicht in de handen, zou voor niets ter wereld van plaats willen ruilen. De oogleden half gesloten, terwijl hij eruitziet alsof hij doodsbang is, vangt hij in zijn blikveld de over elkaar geslagen benen van zijn buurvrouw. Toch zou het op dit moment niet misplaatst zijn een arm om bevende schouders te slaan, een troostende hand stevig om een angstige hand te leggen, want de vrees is soms zo hevig dat haren recht overeind gaan staan of wit worden in de tijdsduur van een alarm.
Allen vragen zich af of de plaats van degene naast hem niet een betere kans op overleving zou bieden dan de eigen.
____
dinsdag 8 december 2009
Mondain Strandpaviljoen
Terwijl de ‘thuishaven’ van de tram vrijwel in het centrum van de stad lag, verdwenen de roestige rails aan het andere uiteinde van het traject, een paar meter na een stootblok, onder een laag zand waarmee de zeewind ze steeds bedekte, met dezelfde hardnekkigheid als die van de beambte van de Tramwegmaatschappij die belast was met het vrijmaken van het gedeelte waar de rails zich splitsten om het mogelijk te maken dat de motorwagen werd aangekoppeld aan de aanhanger die hij ’s zomers achter zich aan trok en die ‘toerwagen’ werd genoemd, met banken die evenwijdig stonden en slechts van de buitenlucht werden gescheiden door de houten stijlen die de bak met het dak verbonden en waartussen grofgeweven, meestal slecht vastgemaakte gordijnen in de wind wapperden. Een eenvoudige beteerde, bijna zwarte houten loods deed dienst als onderkomen voor de nacht voor de motorwagen, aan de rand van de zanderige, kale vlakte waarin ook de weg eindigde die overging in twee smalle paadjes van verbleekte, grijzige, door zeezout aangevreten planken, ook al half onder het zand, die over de hele breedte van het strand liepen en toegang gaven tot een aantal barakken, eveneens bestreken met bruine teer, die gezamenlijk de drie zijden vormden van een ongeveer twintig meter brede vierhoek die met de open kant naar de zee lag en bestond uit badhokjes, een bar en een café-restaurant rondom een dansvloer. Deze informatie hadden we uit de tweede hand, want het was ons (kinderen) verboden daar in de buurt te komen, een verbod dat in feite nooit met zoveel woorden werd geuit maar dat vanzelf sprak, logisch voortvloeide uit de manier waarop er in de familie over die plaats werd gesproken, zoals er wordt gesproken over de hinderlijke overlast van een of andere fabriek of stinkende vuilnisbelt in de buurt, en dan nog alleen als referentiepunt, bijvoorbeeld om aan te geven dat de villa van bepaalde vrienden – of de plaats waar ze zich gewoonlijk op het strand ophielden, zich links of rechts ervan bevond (natuurlijk op geruime afstand) – of ook wel als men het had over een huisbediende, een daghitje of pachtersdochter die er op haar vrije dag ging dansen: een plaats (de nogal bouwvallig uitziende verzameling beteerde loodsen) die door een ironische paradox de naam Mondain Strandpaviljoen droeg en die (later vervangen, maar iets verder van de zee af, bijna naast de eindhalte van de tram, door een kale, geelgeverfde betonnen bunker die Casino werd gedoopt), zo naargeestig als het er uitzag, zijn naam ongetwijfeld niet ontleende aan het feit dat er een mondain publiek kwam in de chique betekenis van het woord, maar aan het feit dat het op feestdagen veel mensen trok, zoals van verre te zien was aan de grote massa of liever gezegd het gekrioel van poppetjes of eerder nog de samenklontering van puntjes waar het strand tussen die uitspanning en de kustlijn zwart van zag – en die zelfs uitdijde tot in de zee, die, net als wanneer er een school van een bepaald soort vissen vlak onder het wateroppervlak zwom, leek te bruisen en te glinsteren rondom opspattende waterfonteinen, maar niet te ver van de kant af, want er waren maar weinig mensen die konden zwemmen en er werd zelfs met een schijnheilig medelijden verteld, als iets dat toch eigenlijk wel komisch was (alsof men het over kleine hondjes had) dat er iedere zondag wel een of twee mensen verdronken die door een beroerte waren getroffen doordat ze onmiddellijk na een overvloedige maaltijd met al even overvloedige wijn het water in waren gerend, een schouwspel dat van een afstand bovendien het mysterieuze of zelfs bijzondere had dat je altijd gewaarwordt bij het contrast tussen een intensieve menselijke inspanning en de indrukwekkende stilte waarin deze zich afspeelt, want de wind, die altijd loodrecht op de kust stond, of hij nu uit het westen of het oosten waaide, voerde alle geluiden, geschreeuw, gezang en muziek weg, zodat bij de slechte reputatie van die plek en de lilliputachtige drukte waar we getuige van waren en waarin de zee werd opgescheept met diamanten schuimpluimen, zich nog het bijna angstaanjagende aspect voegde van een volledige afwezigheid van geluid, waarbij de driekleurige vlag, die door een van de overheersende windstromingen steeds strak horizontaal boven de lange, teerkleurige loods wapperde, met de rafelige rand van zijn rode baan het onwerkelijke, geheime vaandel leek van een bezigheid of van genoegens die zelf ook onwerkelijk en geheim waren, alsof de tramlijn om die twee polen van volksvermaak met elkaar te verbinden, te weten de bioscoop met de opzichtige affiches enerzijds en het ‘mondaine strandpaviljoen’ anderzijds (…)
____
maandag 7 december 2009
Talk is the very fillip of an act
What should the wars do with these jigging fools?
The man behind the book may not be man,
His own man or the book’s or yet the time’s,
But still be whole, deciding what he can
In praise of politics or German rimes;
But the intellectual lights a cigarette
And offers it lit to the lady, whose odd smile
Is the merest hyphen—lest he should forget
What he has been resuming all the while.
He talks to overhear, she to withdraw
To some interior feminine fireside
Where the back arches, beauty puts forth a paw
Like a black puma stretching in velvet pride,
Making him think of cats, a stray of which
Some days sets up a howling in his brain,
Pure interference such as this neat bitch
Seems to create from listening disdain.
But talk is all the value, the release,
Talk is the very fillip of an act,
The frame and subject of the masterpiece
Under whose film of age the face is cracked.
His own forehead glows like expensive wood,
But back of it the mind is disengaged,
Self-sealing clock recording bad and good
At constant temperature, intact, unaged.
But strange, his body is an open house
Inviting every passerby to stay;
The city to and fro beneath his brows
Wanders and drinks and chats from night to day.
Think of a private thought, indecent room
Where one might kiss his daughter before bed!
Life is embarrassed; shut the family tomb,
Console your neighbor for his recent dead;
Do something! die in Spain or paint a green
Gouache, go into business (Rimbaud did),
Or start another Little Magazine,
Or move in with a woman, have a kid.
Invulnerable, impossible, immune,
Do what you will, your will will not be done
But dissipate the light of afternoon
Till evening flickers like the midnight sun,
And midnight shouts and dies: I’d rather be
A milkman walking in his sleep at dawn
Bearing fat quarts of cream, and so be free,
Crossing alone and cold from lawn to lawn.
I’d rather be a barber and cut hair
Than walk with you in gilt museum halls,
You and the puma-lady, she so rare
Exhaling her silk soul upon the walls.
Go take yourselves apart, but let me be
The fault you find with everyman. I spit,
I laugh, I fight; and you, l’homme qui rît;
Swallow your stale saliva, and still sit.
The man behind the book may not be man,
His own man or the book’s or yet the time’s,
But still be whole, deciding what he can
In praise of politics or German rimes;
But the intellectual lights a cigarette
And offers it lit to the lady, whose odd smile
Is the merest hyphen—lest he should forget
What he has been resuming all the while.
He talks to overhear, she to withdraw
To some interior feminine fireside
Where the back arches, beauty puts forth a paw
Like a black puma stretching in velvet pride,
Making him think of cats, a stray of which
Some days sets up a howling in his brain,
Pure interference such as this neat bitch
Seems to create from listening disdain.
But talk is all the value, the release,
Talk is the very fillip of an act,
The frame and subject of the masterpiece
Under whose film of age the face is cracked.
His own forehead glows like expensive wood,
But back of it the mind is disengaged,
Self-sealing clock recording bad and good
At constant temperature, intact, unaged.
But strange, his body is an open house
Inviting every passerby to stay;
The city to and fro beneath his brows
Wanders and drinks and chats from night to day.
Think of a private thought, indecent room
Where one might kiss his daughter before bed!
Life is embarrassed; shut the family tomb,
Console your neighbor for his recent dead;
Do something! die in Spain or paint a green
Gouache, go into business (Rimbaud did),
Or start another Little Magazine,
Or move in with a woman, have a kid.
Invulnerable, impossible, immune,
Do what you will, your will will not be done
But dissipate the light of afternoon
Till evening flickers like the midnight sun,
And midnight shouts and dies: I’d rather be
A milkman walking in his sleep at dawn
Bearing fat quarts of cream, and so be free,
Crossing alone and cold from lawn to lawn.
I’d rather be a barber and cut hair
Than walk with you in gilt museum halls,
You and the puma-lady, she so rare
Exhaling her silk soul upon the walls.
Go take yourselves apart, but let me be
The fault you find with everyman. I spit,
I laugh, I fight; and you, l’homme qui rît;
Swallow your stale saliva, and still sit.
The intellectual
____
zondag 6 december 2009
De geschiedenis van de herinnering
Evenals de geschiedenis van het reizen is de geschiedenis van de herinnering een domein dat buitengewoon duidelijk laat zien hoe belangrijk vaste schema’s en stereotiepen zijn in de menselijke beeldvorming, in dit geval van het verleden zelf. Dit werd trouwens al tijden geleden betoogd door de Engelse psycholoog Frederic Bartlett (1886-1969) in zijn destijds baanbrekende boek Remembering (1932). Naarmate gebeurtenissen verder weg komen te liggen, verliezen ze iets van hun scherpte en contouren. Ze worden verwerkt en bewerkt, vaak onbewust, en gaan aldus lijken op de op dat moment vigerende algemene beelden en denkschema’s binnen een cultuur, schema’s die herinneringen laten voortbestaan ten koste van een zekere mate van vervorming.
Een mooi voorbeeld is de geschiedenis van de protestanten in Zuid-Frankrijk, die werd onderzocht door Philippe Joutard (1935), een historicus die zelf tot deze geloofsgemeenschap behoort. In zijn La Légende des Camisards (1977) laat hij zien hoe, in een cultuur die met de bijbel is doordrenkt, de herinneringen aan de katholieke vervolging van de protestantse gemeenschap besmet of zelfs gevormd werden door de bijbelse verhalen over de vervolging van het joodse volk, inclusief de tekens aan de deuren van de huizen waarvan de inwoners afgeslacht moesten worden. Wanneer we het relaas van Joutard lezen, is het zelfs niet moeilijk aan de holocaust te denken, een traumatische gebeurtenis die ook in de herinnering voortleeft met een religieus kader. De term holocaust betekent immers “brandoffer” – en juist dat is wellicht de reden dat veel mensen tegenwoordig de term “shoa” (vernietiging) prefereren.
Ook de Britse herinneringen aan de ellende van de loopgraven in de Eerste Wereldoorlog blijken bij nader toezien deels te zijn vormgegeven door de beschrijvingen van John Bunyan in Pilgrim’s Progress, een klassiek boek uit 1678 dat in die tijd veel werd gelezen en beelden graveerde in het Britse collectieve geheugen. Aldus kon de modder in de loopgraven begrepen worden door gebruik te maken van de beschrijvingen door Bunyan van de modderpoel van Despond, een moeras dat een van de hindernissen was op weg naar de Hemelse Stad, en waarin de hoofdpersoon dreigt te worden opgeslokt onder het gewicht van zijn eigen zonden. – Daarentegen werden in Groot-Brittannië de “herinneringen” aan de Tweede Wereldoorlog sterk gekleurd door de kennis die men had van de Eerste.
Deze voorbeelden van het effect dat boeken kunnen hebben – waarschijnlijk vooral boeken die hardop in een groep worden gelezen – op het herinneringsproces, zijn opmerkelijk, maar uiteraard worden herinneringen niet door lezen alleen doorgegeven. Het huidige Ierland, zowel het noorden als het zuiden, is beroemd – om niet te zeggen berucht – om de krachtige herinneringen aan het verleden, versterkt door het trauma van de burgeroorlog. Die herinneringen worden opgeroepen door plaatsen als Drogheda en Derry, en ze worden opnieuw geënsceneerd tijden de jaarlijkse parades van de Oranje-loges en de Ancient Order of Hibernians. Graffiti op de muren in Belfast roept de voorbijganger op om “1690” te herinneren, en daarmee wordt gedoeld op “The Battle of the Boyne”, die voortleeft als een grote overwinning van de protestantse stadhouder Willem III op de katholieke legers, maar bij nader onderzoek een veel ingewikkelder en minder beslissende gebeurtenis blijkt te zijn geweest.
In deze Ierse context lijkt de vermaarde opmerking van Clifford Geertz over “het verhaal dat mensen zelf over zichzelf vertellen” problematisch. Katholieke en protestantse Ieren vertellen zichzelf niet dezelfde verhalen. De ene partij richt standbeelden op, de andere blaast ze op, en volgt zo een “solide traditie van explosieve ont-herdenking”, zoals dat is genoemd. De herinneringen aan het conflict zijn ook de conflicten van de herinnering.
Wellicht kan de uitspraak van Geertz opgaan binnen elke religieuze gemeenschap afzonderlijk, maar het blijft noodzakelijk de cruciale vraag over de geschiedenis van de herinnering in wijder sociaal verband te stellen: “Over wiens herinnering hebben we het?” Mannen en vrouwen, noch de oude en de nieuwe generaties zullen zich het verleden op dezelfde manier herinneren. In een bepaalde cultuur kunnen de herinneringen van de ene groep dominant zijn en die van de ander ondergeschikt. Historici weten maar al te goed hoezeer dit het geval was en soms nog is als het gaat om de winnaars en verliezers van de Finse Burgeroorlog in 1918 of van de Spaanse Burgeroorlog van 1936 tot 1939.
Een mooi voorbeeld is de geschiedenis van de protestanten in Zuid-Frankrijk, die werd onderzocht door Philippe Joutard (1935), een historicus die zelf tot deze geloofsgemeenschap behoort. In zijn La Légende des Camisards (1977) laat hij zien hoe, in een cultuur die met de bijbel is doordrenkt, de herinneringen aan de katholieke vervolging van de protestantse gemeenschap besmet of zelfs gevormd werden door de bijbelse verhalen over de vervolging van het joodse volk, inclusief de tekens aan de deuren van de huizen waarvan de inwoners afgeslacht moesten worden. Wanneer we het relaas van Joutard lezen, is het zelfs niet moeilijk aan de holocaust te denken, een traumatische gebeurtenis die ook in de herinnering voortleeft met een religieus kader. De term holocaust betekent immers “brandoffer” – en juist dat is wellicht de reden dat veel mensen tegenwoordig de term “shoa” (vernietiging) prefereren.
Ook de Britse herinneringen aan de ellende van de loopgraven in de Eerste Wereldoorlog blijken bij nader toezien deels te zijn vormgegeven door de beschrijvingen van John Bunyan in Pilgrim’s Progress, een klassiek boek uit 1678 dat in die tijd veel werd gelezen en beelden graveerde in het Britse collectieve geheugen. Aldus kon de modder in de loopgraven begrepen worden door gebruik te maken van de beschrijvingen door Bunyan van de modderpoel van Despond, een moeras dat een van de hindernissen was op weg naar de Hemelse Stad, en waarin de hoofdpersoon dreigt te worden opgeslokt onder het gewicht van zijn eigen zonden. – Daarentegen werden in Groot-Brittannië de “herinneringen” aan de Tweede Wereldoorlog sterk gekleurd door de kennis die men had van de Eerste.
Deze voorbeelden van het effect dat boeken kunnen hebben – waarschijnlijk vooral boeken die hardop in een groep worden gelezen – op het herinneringsproces, zijn opmerkelijk, maar uiteraard worden herinneringen niet door lezen alleen doorgegeven. Het huidige Ierland, zowel het noorden als het zuiden, is beroemd – om niet te zeggen berucht – om de krachtige herinneringen aan het verleden, versterkt door het trauma van de burgeroorlog. Die herinneringen worden opgeroepen door plaatsen als Drogheda en Derry, en ze worden opnieuw geënsceneerd tijden de jaarlijkse parades van de Oranje-loges en de Ancient Order of Hibernians. Graffiti op de muren in Belfast roept de voorbijganger op om “1690” te herinneren, en daarmee wordt gedoeld op “The Battle of the Boyne”, die voortleeft als een grote overwinning van de protestantse stadhouder Willem III op de katholieke legers, maar bij nader onderzoek een veel ingewikkelder en minder beslissende gebeurtenis blijkt te zijn geweest.
In deze Ierse context lijkt de vermaarde opmerking van Clifford Geertz over “het verhaal dat mensen zelf over zichzelf vertellen” problematisch. Katholieke en protestantse Ieren vertellen zichzelf niet dezelfde verhalen. De ene partij richt standbeelden op, de andere blaast ze op, en volgt zo een “solide traditie van explosieve ont-herdenking”, zoals dat is genoemd. De herinneringen aan het conflict zijn ook de conflicten van de herinnering.
Wellicht kan de uitspraak van Geertz opgaan binnen elke religieuze gemeenschap afzonderlijk, maar het blijft noodzakelijk de cruciale vraag over de geschiedenis van de herinnering in wijder sociaal verband te stellen: “Over wiens herinnering hebben we het?” Mannen en vrouwen, noch de oude en de nieuwe generaties zullen zich het verleden op dezelfde manier herinneren. In een bepaalde cultuur kunnen de herinneringen van de ene groep dominant zijn en die van de ander ondergeschikt. Historici weten maar al te goed hoezeer dit het geval was en soms nog is als het gaat om de winnaars en verliezers van de Finse Burgeroorlog in 1918 of van de Spaanse Burgeroorlog van 1936 tot 1939.
uit: Wat is cultuurgeschiedenis? - Peter Burke


zaterdag 5 december 2009
Vooruit te komen binnen de dominante groep
Van De hut van oom Tom van Harriet Beecher Stowe, verschenen in 1852, werden in de negentiende eeuw meer exemplaren verkocht dan van welk ander boek ook, op de Bijbel na. Nog steeds wordt het alom beschouwd als de historisch meest belangwekkende roman ooit door een Amerikaanse auteur geschreven. Vanaf het moment van verschijnen heeft Stowes boek een enorme impact gehad op de manier waarop Amerikanen tegen ras aankijken. Toen Stowe in 1853 op tournee was in Groot-Brittannië prees de minister die haar kwam begroeten haar met de opmerking ‘dat de stem die het best in staat is miljoenen mensen te raken de zachte, bescheiden stem is die voortkomt uit de heilige vrouwenborst’. (Stowe citeerde zijn woorden vol trots in haar reisboek Sunny Memories of Foreign Lands.) Deze gevoelens vonden tien jaar later weerklank bij president Abraham Lincoln, die Stowe karakteriseerde als ‘de kleine dame die deze grote oorlog heeft ontketend’. Hij ontmoette haar vlak nadat hij de Emancipation Proclamations had uitgevaardigd, de wet die bepaalde dat slaven voortaan vrij waren.
Hoewel Stowe ontegenzeggelijk heeft bijgedragen aan de afschaffing van de slavernij (en aan de spanningen omtrent dit onderwerp, die medeoorzaak waren van de Burgeroolog), is haar ook verweten dat ze ‘het verkeerde, verwrongen wensdenken over negers in het algemeen en Amerikaanse negers in het bijzonder, waar we tot op de dag van vandaag last van hebben’ heeft verergerd, zoals de criticus J.C. Furnas in 1956 in schreef. Stowe verzon meerdere personages die hun ras ‘ontstijgen’, wat wil zeggen dat ze zich ‘als blanken’ gedragen of proberen te gedragen. Een van Stowes protagonisten is een slaaf genaamd George Harris, die zo’n lichte huid heeft dat hij voor een ‘Spaanse heer’ kan doorgaan. Maar het ligt niet alleen aan de huid die Stowe hem gaf dat George zich anders dan andere slaven door haar fictieve maatschappij en de verbeelding van haar lezers beweegt. In ‘Everybody Protest Novel’, een essay over De hut van oom Tom dat in 1949 in de Partisan Review verscheen, schreef James Baldwin dat Stowe George ‘in alle andere opzichten [zo wit heeft gemaakt] als maar kan’; Stowe had van George ten opzichte van Tom en zijn medeslaven ‘een apart ras’ gemaakt.
De tegenovergestelde strategie om met het machtsverschil in Stowes tekst om te gaan is inmiddels berucht geworden, en dat is natuurlijk de strategie die oom Tom zelf hanteert. Tom is iemand die zijn ondergeschikte positief als slaaf zo volstrekt aanvaardt dat hij de standaard middelen van onderwerping overbodig maakt. Wanneer een slavenhandelaar hem vervoert om verkocht te worden, hoeft hij Tom niet te ketenen; er is geen gevaar dat hij zal ontsnappen, want hij heeft het systeem waarvan hij slachtoffer is volkomen geïnternaliseerd. Hij gelooft écht dat hij iemands eigendom is, dus weglopen zou betekenen dat hij zijn eigenaar bestal, een misdaad waar hij niet eens van durft te dromen.
Het gevolg is dat Tom door zijn meesters, en door Stowe zelf, wordt gezien als ‘betrouwbaar’, ‘eerlijk’, ‘verstandig’ en ‘vroom’. Tom onderwerpt zich niet alleen aan het systeem dat hem onderdrukt, hij wil ook graag dat zijn meester van hem houdt, en houdt op zijn beurt van zijn meester. George Shelby, de man die Tom vanaf zijn geboorte gediend heeft, schaamt zich zo wanneer hij Tom verkocht heeft, en daarmee van zijn vrouw en kinderen scheidt en tot een leven vol wreedheden veroordeelt, dat hij geen afscheid van Tom kan nemen. En toch, als Tom wordt weggevoerd, zijn z’n laatste treurige woorden: ‘Zeg meester George voor me gedag.’
Stowe bedoelde Tom als een hartveroverend en exemplarisch voorbeeld van de ‘zachte, gevoelige aard van zijn vriendelijke volk, altijd geneigd tot het eenvoudige en het kinderlijke.’ In haar boek is dit gewoon het karakter van het personage. Maar het concept ‘oom Tom’ heeft een heel andere betekenis gekregen dan Stowe voor ogen stond. Een oom Tom is iemand die met opzet het stereotiepe beeld van zijn of haar gemarginaliseerde groep bevestigt, teneinde vooruit te komen binnen de dominante groep.
uit: Female chauvinist pigs : de opkomst van de bimbocultuur - Ariel Levy

____
Hoewel Stowe ontegenzeggelijk heeft bijgedragen aan de afschaffing van de slavernij (en aan de spanningen omtrent dit onderwerp, die medeoorzaak waren van de Burgeroolog), is haar ook verweten dat ze ‘het verkeerde, verwrongen wensdenken over negers in het algemeen en Amerikaanse negers in het bijzonder, waar we tot op de dag van vandaag last van hebben’ heeft verergerd, zoals de criticus J.C. Furnas in 1956 in schreef. Stowe verzon meerdere personages die hun ras ‘ontstijgen’, wat wil zeggen dat ze zich ‘als blanken’ gedragen of proberen te gedragen. Een van Stowes protagonisten is een slaaf genaamd George Harris, die zo’n lichte huid heeft dat hij voor een ‘Spaanse heer’ kan doorgaan. Maar het ligt niet alleen aan de huid die Stowe hem gaf dat George zich anders dan andere slaven door haar fictieve maatschappij en de verbeelding van haar lezers beweegt. In ‘Everybody Protest Novel’, een essay over De hut van oom Tom dat in 1949 in de Partisan Review verscheen, schreef James Baldwin dat Stowe George ‘in alle andere opzichten [zo wit heeft gemaakt] als maar kan’; Stowe had van George ten opzichte van Tom en zijn medeslaven ‘een apart ras’ gemaakt.
De tegenovergestelde strategie om met het machtsverschil in Stowes tekst om te gaan is inmiddels berucht geworden, en dat is natuurlijk de strategie die oom Tom zelf hanteert. Tom is iemand die zijn ondergeschikte positief als slaaf zo volstrekt aanvaardt dat hij de standaard middelen van onderwerping overbodig maakt. Wanneer een slavenhandelaar hem vervoert om verkocht te worden, hoeft hij Tom niet te ketenen; er is geen gevaar dat hij zal ontsnappen, want hij heeft het systeem waarvan hij slachtoffer is volkomen geïnternaliseerd. Hij gelooft écht dat hij iemands eigendom is, dus weglopen zou betekenen dat hij zijn eigenaar bestal, een misdaad waar hij niet eens van durft te dromen.
Het gevolg is dat Tom door zijn meesters, en door Stowe zelf, wordt gezien als ‘betrouwbaar’, ‘eerlijk’, ‘verstandig’ en ‘vroom’. Tom onderwerpt zich niet alleen aan het systeem dat hem onderdrukt, hij wil ook graag dat zijn meester van hem houdt, en houdt op zijn beurt van zijn meester. George Shelby, de man die Tom vanaf zijn geboorte gediend heeft, schaamt zich zo wanneer hij Tom verkocht heeft, en daarmee van zijn vrouw en kinderen scheidt en tot een leven vol wreedheden veroordeelt, dat hij geen afscheid van Tom kan nemen. En toch, als Tom wordt weggevoerd, zijn z’n laatste treurige woorden: ‘Zeg meester George voor me gedag.’
Stowe bedoelde Tom als een hartveroverend en exemplarisch voorbeeld van de ‘zachte, gevoelige aard van zijn vriendelijke volk, altijd geneigd tot het eenvoudige en het kinderlijke.’ In haar boek is dit gewoon het karakter van het personage. Maar het concept ‘oom Tom’ heeft een heel andere betekenis gekregen dan Stowe voor ogen stond. Een oom Tom is iemand die met opzet het stereotiepe beeld van zijn of haar gemarginaliseerde groep bevestigt, teneinde vooruit te komen binnen de dominante groep.
uit: Female chauvinist pigs : de opkomst van de bimbocultuur - Ariel Levy

____
vrijdag 4 december 2009
Alle waarheden tezaam zijn slechts één enkele waarheid
Ik zou het geheim van het leven willen kennen. Ik heb mensen, groepen, bewegingen, gezichten gezien. In de schemering heb ik trillende ogen van wezens zien schitteren, diep als putten. Ik heb de mond gezien die in een ontluiking van roem zei: ‘Ik ben gevoeliger dan de anderen!’ Ik heb aanschouwd de strijd van het minnen en van het elkaar doorgronden: de wederkerige weigering van twee met elkaar sprekenden en de eenheid van lichaam van twee geliefden; geliefden, met de van elkaar overgenomen glimlach, die slechts in naam geliefden zijn, die door elkaars kussen verteren, die zich van wond tot wond omstrengelen om genezing te vinden, die door geen enkele band aan elkaar gehecht zijn en die ondanks hun stralende extase buiten de duisternis elkaar even vreemd zijn als de maan en de zon. Ik heb hen gehoord, zij die enkel even vrede vinden in de bekentenis van hun schandelijke ellende en ook heb ik gezichten gezien, die weenden, bleek, met ogen als rozen.
Dit alles zou ik tegelijk willen omhelzen. Alle waarheden tezaam zijn slechts één enkele waarheid, (ik heb moeten leven tot vandaag om deze zo eenvoudige zaak te begrijpen); het is deze waarheid der waarheden die ik behoef.
Niet uit liefde voor de mensen. Het is niet waar, dat men de mensen liefheeft. Niemand heeft de mensen liefgehad, heeft ze lief of zal ze liefhebben. Het is voor mijzelf – uitsluitend voor mijzelf dat ik deze volle waarheid tracht te bereiken en te behouden, de waarheid die boven de ontroering, boven de vrede, boven het leven zelfs gaat, als een soort dode. Ik wil er een richting, een geloof uit putten; ik wil haar gebruiken voor mijn eigen heil.
Ik bepeins de herinneringen die ik heb opgevangen sinds ik hier ben; ze zijn zo talrijk dat ik voor mezelf een vreemdeling geworden ben en bijna geen naam meer draag; ik beluister ze. Ik tracht mijzelf weer te zien, zoals ik uitgestrekt gestaan heb over het schouwspel dat anderen vertoonden en dat ik, als God, in mij opgevangen heb, helaas – en in een opperste gespannen aandacht probeer ik te zien, te horen wat ik ben. Het zou zo heerlijk zijn, te weten wie ik ben.
Ik denk aan allen – tot mij toe, die hebben gezocht – geleerden, dichters, kunstenaars – aan allen die gezwoegd, geweend, geglimlacht hebben voor de werkelijkheid, bij vierkante tempels of onder booggewelven, of in nachtelijke tuinen, waar de grond enkel nog een golvende zwarte geur is. Ik denk aan de Latijnse dichter die de mensen gerust heeft willen stellen en vertroosten, door hen de onomfloerste waarheid voor te houden als een beeld. In gedachten hoor ik een gedeelte van zijn voorspel, dat ik vroeger heb geleerd, toen weer verdrongen is en verloren zoals bijna alles waarvoor ik mij tot nu toe, om het leren, de moeite gaf. Hij zegt in zijn vreemd verre taal, barbaars klinkend, zo midden in mijn dagelijks leven, dat hij in de lange, stille nachten waakt om te bepeinzen voor welke woorden, door welk gedicht hij de mensen de gedachten brengen zal, die hen verlossen zullen. Sinds tweeduizend jaar zijn de mensen bezig om gerust te stellen en te troosten. Sinds tweeduizend jaar ben ik bezig om hen te verlossen. Niets heeft het aanschijn van de dingen gewijzigd. De leer van Christus zou dit niet gewijzigd hebben, zelfs niet wanneer de mensen deze niet zodanig misvormd hadden dat ze haar nu niet meer behoorlijk gebruiken kunnen. Zal hij komen, de grote dichter, die het geloof onbegrensd en eeuwig maken zal, de dichter die geen dwaas, geen welbespraakt onwetende, maar een wijze zal zijn, de grote, onverbiddelijke dichter? Ik weet het niet, al geven de verheven woorden van de man, die hier eindigde, me een flauwe hoop op zijn komst en het recht hem nu reeds te aanbidden.
Maar ik, ik! Ik, die niets dan een blik ben, hoeveel mocht ik van het levenslot omvatten! Ik ben hier en herinner me telkens weer. Ondanks alles ben ik als een dichter, bij de aanvang van een werk. Gevloekt en onvruchtbaar dichter, die geen roem zal laten, die door het toeval de waarheid is geleerd, die het genie hem had moeten geven; broos werk dat met mij zal verdwijnen, sterfelijk werk, dat gesloten is voor anderen dan ikzelf, maar toch verheven werk, dat de ware lijnen van het leven aan zal tonen en het drama der drama’s verhalen zal.
Wat ben ik? Ik ben het verlangen, niet te sterven. Het is niet deze avond alleen dat ik de drang onderga de hechte, machtige droom op te bouwen die ik niet meer zal loslaten, maar ik onderga die altijd. Wij zijn allen, altijd, het verlangen niet te sterven. Het is ontelbaar en verschillend als de samengesteldheid van het leven, maar in wezen is het dit: voortgaan te zijn, meer en meer te zijn, zich wijder uitspreiden en voortduren. Al wat men aan kracht, aan wilskracht en geestesklaarheid bezit, dient om zichzelf te begeesteren, op welke wijze dit ook moge zijn. Wij begeesteren ons met nieuwe indrukken, nieuwe gevoelens, nieuwe gedachten. We pogen dat, wat we niet bezitten te nemen en ons erdoor te verheffen. De mensheid, dat is het verlangen naar het nieuwe, boven de vrees voor de dood. Dit is het: ik heb het gezien. De instinctieve bewegingen en de vrije kreten waren altijd als signalen in eenzelfde richting gedreven en in wezen waren de meest verschillende woorden gelijk.
Dit alles zou ik tegelijk willen omhelzen. Alle waarheden tezaam zijn slechts één enkele waarheid, (ik heb moeten leven tot vandaag om deze zo eenvoudige zaak te begrijpen); het is deze waarheid der waarheden die ik behoef.
Niet uit liefde voor de mensen. Het is niet waar, dat men de mensen liefheeft. Niemand heeft de mensen liefgehad, heeft ze lief of zal ze liefhebben. Het is voor mijzelf – uitsluitend voor mijzelf dat ik deze volle waarheid tracht te bereiken en te behouden, de waarheid die boven de ontroering, boven de vrede, boven het leven zelfs gaat, als een soort dode. Ik wil er een richting, een geloof uit putten; ik wil haar gebruiken voor mijn eigen heil.
Ik bepeins de herinneringen die ik heb opgevangen sinds ik hier ben; ze zijn zo talrijk dat ik voor mezelf een vreemdeling geworden ben en bijna geen naam meer draag; ik beluister ze. Ik tracht mijzelf weer te zien, zoals ik uitgestrekt gestaan heb over het schouwspel dat anderen vertoonden en dat ik, als God, in mij opgevangen heb, helaas – en in een opperste gespannen aandacht probeer ik te zien, te horen wat ik ben. Het zou zo heerlijk zijn, te weten wie ik ben.
Ik denk aan allen – tot mij toe, die hebben gezocht – geleerden, dichters, kunstenaars – aan allen die gezwoegd, geweend, geglimlacht hebben voor de werkelijkheid, bij vierkante tempels of onder booggewelven, of in nachtelijke tuinen, waar de grond enkel nog een golvende zwarte geur is. Ik denk aan de Latijnse dichter die de mensen gerust heeft willen stellen en vertroosten, door hen de onomfloerste waarheid voor te houden als een beeld. In gedachten hoor ik een gedeelte van zijn voorspel, dat ik vroeger heb geleerd, toen weer verdrongen is en verloren zoals bijna alles waarvoor ik mij tot nu toe, om het leren, de moeite gaf. Hij zegt in zijn vreemd verre taal, barbaars klinkend, zo midden in mijn dagelijks leven, dat hij in de lange, stille nachten waakt om te bepeinzen voor welke woorden, door welk gedicht hij de mensen de gedachten brengen zal, die hen verlossen zullen. Sinds tweeduizend jaar zijn de mensen bezig om gerust te stellen en te troosten. Sinds tweeduizend jaar ben ik bezig om hen te verlossen. Niets heeft het aanschijn van de dingen gewijzigd. De leer van Christus zou dit niet gewijzigd hebben, zelfs niet wanneer de mensen deze niet zodanig misvormd hadden dat ze haar nu niet meer behoorlijk gebruiken kunnen. Zal hij komen, de grote dichter, die het geloof onbegrensd en eeuwig maken zal, de dichter die geen dwaas, geen welbespraakt onwetende, maar een wijze zal zijn, de grote, onverbiddelijke dichter? Ik weet het niet, al geven de verheven woorden van de man, die hier eindigde, me een flauwe hoop op zijn komst en het recht hem nu reeds te aanbidden.
Maar ik, ik! Ik, die niets dan een blik ben, hoeveel mocht ik van het levenslot omvatten! Ik ben hier en herinner me telkens weer. Ondanks alles ben ik als een dichter, bij de aanvang van een werk. Gevloekt en onvruchtbaar dichter, die geen roem zal laten, die door het toeval de waarheid is geleerd, die het genie hem had moeten geven; broos werk dat met mij zal verdwijnen, sterfelijk werk, dat gesloten is voor anderen dan ikzelf, maar toch verheven werk, dat de ware lijnen van het leven aan zal tonen en het drama der drama’s verhalen zal.
Wat ben ik? Ik ben het verlangen, niet te sterven. Het is niet deze avond alleen dat ik de drang onderga de hechte, machtige droom op te bouwen die ik niet meer zal loslaten, maar ik onderga die altijd. Wij zijn allen, altijd, het verlangen niet te sterven. Het is ontelbaar en verschillend als de samengesteldheid van het leven, maar in wezen is het dit: voortgaan te zijn, meer en meer te zijn, zich wijder uitspreiden en voortduren. Al wat men aan kracht, aan wilskracht en geestesklaarheid bezit, dient om zichzelf te begeesteren, op welke wijze dit ook moge zijn. Wij begeesteren ons met nieuwe indrukken, nieuwe gevoelens, nieuwe gedachten. We pogen dat, wat we niet bezitten te nemen en ons erdoor te verheffen. De mensheid, dat is het verlangen naar het nieuwe, boven de vrees voor de dood. Dit is het: ik heb het gezien. De instinctieve bewegingen en de vrije kreten waren altijd als signalen in eenzelfde richting gedreven en in wezen waren de meest verschillende woorden gelijk.
____
donderdag 3 december 2009
De Bijbel als geologiehandboek
In Gisteren was vandaag morgen [uiteindelijk De menselijke maat : de aarde over tienduizend jaar, PvD] had Salle Kroonenberg een hoofdstuk gewijd aan de grondleggers van de geologische wetenschap. Dat waren Schotten, opmerkelijk genoeg, en ook een paar Zwitsers. Over het algemeen: lieden uit ruige gebieden waar de aardlagen in grillige (berg)structuren aan de oppervlakte kwamen;
Een van hen was Charles Lyell, een bijziende Schot die met zijn driedelige Principles of Geology (voltooid in 1833) het eerste ‘moderne geologiehandboek’ had geschreven. Daarin bestreed hij de onwrikbare waarheden van zijn tijd, waarmee hij zelf ook was grootgebracht:
Gestaag was sindsdien het besef doorgedrongen dat de verschillende aardlagen de stenen bladzijden waren van een boek waarin de geschiedenis van de aarde stond beschreven. En nog weer later: dat die geschiedenis lang voor de verschijning van de mens moest zijn begonnen. Het was Salle om die geologische tijdschalen te doen, die zo afgrondelijk ‘diep’ waren dat de indeling voor Christus/na Christus alle betekenis verloor. Hij beschreef de opeenvolgende doorbraken die tot de tegenwoordige (feilloos gedachte) vaststelling hadden geleid dat de aarde 4550 000 000 jaar oud is.
In die door de aardwetenschappers afgelegde weg zaten etappes uit mijn eigen ontwikkeling. Vroeger op school al had ik gemerkt dat sommige leraren zich, à la Burnet, in allerlei bochten wrongen om de Bijbelverzen kloppend te houden. Bij lezing van Salles manuscript herinnerde ik me hoe onze godsdienstleraar een aantal natuurverschijnselen uit Exodus (aanhoudende duisternis, een nachtelijke ‘vuurzuil’, vergiftigd water) toeschreef aan de uitbarsting van de Santorini in de zestiende eeuw voor Christus, volgens hem: de tijd van Mozes.
Ik vond zulke verklaringen fantastisch mooi, het voorzag het epische verhaal van de uittocht uit Egypte van een echtheidswaarmerk. Maar toch. Als je er verder over nadacht, stuitte je op steeds weer nieuwe vragen (Wat is manna? Hoe kon dát dan uit de hemel regenen?).
In het overzicht van Salle Kroonenberg las ik dat de aartsvaders van de geologie ook tot de slotsom waren gekomen dat je vast kwam te zitten als je Gods Woord al te letterlijk nam. Om hun nieuwe vondsten in te kunnen passen waren ze gedwongen de uitleg van de Schrift op te rekken. De zeven scheppingsdagen moest je allegorisch zien als zeven tijdperken, en de zondvloed had misschien niet de héle aardbol getroffen (zoveel water was er niet) maar wel de hele in Noachs tijd bewoonde wereld. Het duwen en kneden van wetenschappelijke inzichten in de oudtestamentische mal werd een steeds desperatere bezigheid en ging door totdat het inzicht doorbrak dat de aarde een ijstijd moest hebben gekend. Een jonge Zwitserse gletsjeronderzoeker wist rond 1840 ’s werelds meer standvastige zondvloedgeologen (‘diluvionisten’) ervan te overtuigen dat gletsjerijs de landschappelijke verschijnselen veel beter kon verklaren dan zondvloedwater. Krassen op zwerfkeien waren sporen van schuivende ijsmassa’s, en niet de hunebedstenen in het noorden van Nederland waren daar niet door kolkend water uit Gods hemelsluizen neergesmeten, ze waren meegevoerd door gletsjers uit Scandinavië. Met het ijstijdinzicht viel het doek voor de diluvionisten en werd de Bijbel als geologiehandboek afgedankt.
Ik zei Salle dat ik met de kennis van de twintigste eeuw, die mij op school stukje bij beetje was aangereikt, iets vergelijkbaars had doorgemaakt. Uiteraard op fastforward-snelheid, maar het kwam op hetzelfde neer: het weten waarmee ik me graag had laten injecteren was gaan werken als een serum tegen het geloven.
Hier stopte ik. Wat ik niet uitsprak maar wel dacht, was dit: en toch ben ik geen atheïst. Het niet-bestaan van een Opperwezen viel niet te bewijzen en wie daar toch stellig over deed, waarin verschilde die van een gelovige?
Salle Kroonenberg ging verzitten. ‘Tja,’ zei hij. ‘Wat jij nu allemaal vertelt, is mij wezensvreemd. Ik ben atheïst.’
Hij was atheïst van huis uit. ‘Als kind van een jaar of tien ben ik een keer op straat door een stel opgeschoten jongens gepakt. “Ben je katholiek of protestant?” vroegen die. Ik was radeloos, omdat ik geen idee had wat ik moest zeggen. Ik kende die woorden niet. Ik had ze nog nooit gehoord.’
Er was maar één Bijbelspreuk waar hij het hartgrondig mee eens was, en die hem in de mond bestorven lag. ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.’
‘Dat is alles wat er over het lot van de mens te zeggen valt?’
‘Eigenlijk wel, ja. De natuur trekt zich niets aan van menselijk leed, maar er is bijna niemand die dat onder ogen durft te zien.’
Een van hen was Charles Lyell, een bijziende Schot die met zijn driedelige Principles of Geology (voltooid in 1833) het eerste ‘moderne geologiehandboek’ had geschreven. Daarin bestreed hij de onwrikbare waarheden van zijn tijd, waarmee hij zelf ook was grootgebracht:
- De aarde was nog geen zesduizend jaar oud. (De Ierse anglicaan James Usscher had berekend dat de schepping op zondag 22 oktober 4004 voor Christus was begonnen, een datum die op het voorblad van talloze Bijbeledities vermeld stond).Met andere woorden: de complete waaier aan landschappen, van moerasdelta’s tot woestijnen en van kalksteengrotten tot bergmeren, kortom de aarde zoals die zich voordeed, had déze voorgeschiedenis, en geen andere. Tot diep in de negentiende eeuw waren de gesteenten en de fossielen in dat licht bestudeerd. Met compassie en inlevingsvermogen beschreef Salle de dwalingen van denkers als Thomas Burnet, die in zijn Sacred Theory of the Earth uit 1684 de herkomst van die onbestaanbare hoeveelheid zondvloedwater (‘acht oceanen’) had verklaard: volgens hem was de aarde oorspronkelijk geschapen als een met water gevuld ei, waarvan God – in woede ontstoken over de verdorvenheid van de mens – de schaal had gebroken.
- God had er zes dagen over gedaan om de dag van de nacht te scheiden, het droge van de wateren, en de planten, de dieren en de eerste mens te scheppen. Op de zevende dag rustte hij uit.
- 1556 jaar later zond Hij zijn verwoestende zondvloed, die de gehele aarde had omspoeld.
- op 5 mei 2348 voor Christus, op een woensdag, liep de ark vast op de Ararat
Gestaag was sindsdien het besef doorgedrongen dat de verschillende aardlagen de stenen bladzijden waren van een boek waarin de geschiedenis van de aarde stond beschreven. En nog weer later: dat die geschiedenis lang voor de verschijning van de mens moest zijn begonnen. Het was Salle om die geologische tijdschalen te doen, die zo afgrondelijk ‘diep’ waren dat de indeling voor Christus/na Christus alle betekenis verloor. Hij beschreef de opeenvolgende doorbraken die tot de tegenwoordige (feilloos gedachte) vaststelling hadden geleid dat de aarde 4550 000 000 jaar oud is.
In die door de aardwetenschappers afgelegde weg zaten etappes uit mijn eigen ontwikkeling. Vroeger op school al had ik gemerkt dat sommige leraren zich, à la Burnet, in allerlei bochten wrongen om de Bijbelverzen kloppend te houden. Bij lezing van Salles manuscript herinnerde ik me hoe onze godsdienstleraar een aantal natuurverschijnselen uit Exodus (aanhoudende duisternis, een nachtelijke ‘vuurzuil’, vergiftigd water) toeschreef aan de uitbarsting van de Santorini in de zestiende eeuw voor Christus, volgens hem: de tijd van Mozes.
Ik vond zulke verklaringen fantastisch mooi, het voorzag het epische verhaal van de uittocht uit Egypte van een echtheidswaarmerk. Maar toch. Als je er verder over nadacht, stuitte je op steeds weer nieuwe vragen (Wat is manna? Hoe kon dát dan uit de hemel regenen?).
In het overzicht van Salle Kroonenberg las ik dat de aartsvaders van de geologie ook tot de slotsom waren gekomen dat je vast kwam te zitten als je Gods Woord al te letterlijk nam. Om hun nieuwe vondsten in te kunnen passen waren ze gedwongen de uitleg van de Schrift op te rekken. De zeven scheppingsdagen moest je allegorisch zien als zeven tijdperken, en de zondvloed had misschien niet de héle aardbol getroffen (zoveel water was er niet) maar wel de hele in Noachs tijd bewoonde wereld. Het duwen en kneden van wetenschappelijke inzichten in de oudtestamentische mal werd een steeds desperatere bezigheid en ging door totdat het inzicht doorbrak dat de aarde een ijstijd moest hebben gekend. Een jonge Zwitserse gletsjeronderzoeker wist rond 1840 ’s werelds meer standvastige zondvloedgeologen (‘diluvionisten’) ervan te overtuigen dat gletsjerijs de landschappelijke verschijnselen veel beter kon verklaren dan zondvloedwater. Krassen op zwerfkeien waren sporen van schuivende ijsmassa’s, en niet de hunebedstenen in het noorden van Nederland waren daar niet door kolkend water uit Gods hemelsluizen neergesmeten, ze waren meegevoerd door gletsjers uit Scandinavië. Met het ijstijdinzicht viel het doek voor de diluvionisten en werd de Bijbel als geologiehandboek afgedankt.
Ik zei Salle dat ik met de kennis van de twintigste eeuw, die mij op school stukje bij beetje was aangereikt, iets vergelijkbaars had doorgemaakt. Uiteraard op fastforward-snelheid, maar het kwam op hetzelfde neer: het weten waarmee ik me graag had laten injecteren was gaan werken als een serum tegen het geloven.
Hier stopte ik. Wat ik niet uitsprak maar wel dacht, was dit: en toch ben ik geen atheïst. Het niet-bestaan van een Opperwezen viel niet te bewijzen en wie daar toch stellig over deed, waarin verschilde die van een gelovige?
Salle Kroonenberg ging verzitten. ‘Tja,’ zei hij. ‘Wat jij nu allemaal vertelt, is mij wezensvreemd. Ik ben atheïst.’
Hij was atheïst van huis uit. ‘Als kind van een jaar of tien ben ik een keer op straat door een stel opgeschoten jongens gepakt. “Ben je katholiek of protestant?” vroegen die. Ik was radeloos, omdat ik geen idee had wat ik moest zeggen. Ik kende die woorden niet. Ik had ze nog nooit gehoord.’
Er was maar één Bijbelspreuk waar hij het hartgrondig mee eens was, en die hem in de mond bestorven lag. ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.’
‘Dat is alles wat er over het lot van de mens te zeggen valt?’
‘Eigenlijk wel, ja. De natuur trekt zich niets aan van menselijk leed, maar er is bijna niemand die dat onder ogen durft te zien.’
____
woensdag 2 december 2009
Ik wil de blinde zijn en naast dit lichaam reizen
Ik wil de blinde zijn en naast dit lichaam reizen,
verlaten door uw licht dat mij ontbindt en dooft.
Ik word de zwerver die in de eigen ster gelooft
en niemands woord aanvaardt om hem de weg te wijzen.
Ik zag in alle bloemen zonnen opengaan,
elk boegbeeld brak voor mij de zee tot paradijzen;
uit kindertranen zag ik regenbogen rijzen,
de glimlach van een vrouw kon vlammen uit mij slaan.
Doch ’s avonds en alleen kwam schemer mij omgrauwen
daar elke klaarte wijkt die niet uit ons ontstaat.
Wat baat het hart een nieuwe en schoner dageraad
die niet uit eigen kracht zijn stralen mag ontvouwen?
Ik wil mijn blinde zijn; dit minder is veel meer:
laat mij de bloesems weer tot in hun zaad ontbinden
en diep onder de naden van mijn ogen vinden
de schijn van ander licht dat ik sinds lang begeer.
verlaten door uw licht dat mij ontbindt en dooft.
Ik word de zwerver die in de eigen ster gelooft
en niemands woord aanvaardt om hem de weg te wijzen.
Ik zag in alle bloemen zonnen opengaan,
elk boegbeeld brak voor mij de zee tot paradijzen;
uit kindertranen zag ik regenbogen rijzen,
de glimlach van een vrouw kon vlammen uit mij slaan.
Doch ’s avonds en alleen kwam schemer mij omgrauwen
daar elke klaarte wijkt die niet uit ons ontstaat.
Wat baat het hart een nieuwe en schoner dageraad
die niet uit eigen kracht zijn stralen mag ontvouwen?
Ik wil mijn blinde zijn; dit minder is veel meer:
laat mij de bloesems weer tot in hun zaad ontbinden
en diep onder de naden van mijn ogen vinden
de schijn van ander licht dat ik sinds lang begeer.
Abonneren op:
Berichten (Atom)





















