donderdag 21 januari 2010

Al deze vragen zou men kunnen stellen over onze kledingstukken

Toen ik een mondeling examen in de antropologie aan de Sorbonne moest afleggen, zat aan de andere kant van de tafel professor Marcel Griaule, gespecialiseerd in de Dogonstammen van Afrika. Eerst wist hij niet waar hij zou beginnen. Toen viel zijn oog op mijn oorringen (het was in de jaren vijftig, toen men zich nog kleedde voor dergelijke gelegenheden). Hij vroeg me een oorring af te doen en aan hem te geven. Nadat hij het sieraad een tijdje had bestudeerd, gaf hij het me terug en zei: ‘Stel dat u dit voorwerp zojuist gevonden hebt in het huis van een groep waarin u veldwerk verricht, wat zou u dan vervolgens doen?’
Daarna praatte ik een tijdlang over alle vragen die ik mijn informanten zou kunnen stellen over die oorring. Wat was het voor een ding? Was het iets om te dragen? Was het heilig of profaan? Was er een ritueel aan verbonden de eerste keer dat zo iets gedragen werd? Wie had het gemaakt? Behoorde de maker tot een speciale kaste? Hoe duur was het? Van wat voor materialen werd het gemaakt – en waar kwamen die vandaan? Wat had de vorm te betekenen? Stond het patroon waarin de steentjes waren geplaatst, en hun aantal, in enige relatie tot de kosmologie van de groep, en tot hun denken over patronen en getallen? Waren er nog meer van zulke voorwerpen? Veel of weinig? Hoe ontdeen men zich er uiteindelijk van?
Al deze vragen zou men kunnen stellen over onze kledingstukken. Men zou een kledingstuk kunnen pakken en dat als uitgangspunt nemen voor een analyse van alle mogelijke kenmerken van onze maatschappij: de economische structuur, de machtsstructuur, de leeftijdsgroepen, de relaties tussen de seksen, de esthetische idealen, de fase van technologische ontwikkeling, om er een paar te noemen.

uit: De geklede mens - Ethel Portnoy

____