Als ik bereid ben om een tekst volgens het plezier te beoordelen, kan ik me niet meer veroorloven te zeggen: deze is goed, die is slecht. Geen prijsuitreiking, geen kritiek, want die houdt altijd een tactische overweging in, een sociaal gebruik en heel vaak een denkbeeldige dekmantel. Ik mag niet afwegen, me inbeelden dat de tekst te vervolmaken zou zijn, gereed om zijn intrede te doen in een spel van normatieve predicaten: dat is te veel van
dit, te weinig van
dat; de tekst (en dat geldt ook voor de zangstem) kan mij slechts die allerminst adjectieve oordeel ontlokken:
dat is het! En meer nog:
dat is het voor mij! Dit ‘voor mij’ is noch subjectief, noch existentieel, maar Nietzscheaans (‘… in de grond van de zaak is het altijd dezelfde vraag: Wat is dat
voor mij?...’)
vertaald door Frans van den Pol
uit:
Het plezier van de tekst - Roland Barthes

____