Het gegeven metamorfose ontmantelde mensen analystisch.
Karakter was traditioneel het pronkstuk van de roman: de schrijvers van de negentiende eeuw koesterden individualiteit – de misdadige genieën van Balzac, de groteske figuren van Dickens – als een beschermde diersoort in de dierentuin. Forster poogde deze cultus van de persoonlijke eigenheid overeind te houden met de lezingen die hij in 1927 uitbracht over Aspects of the Novel, waarin hij het beroemd geworden onderscheid maakte tussen ‘vlakke’ en ‘ronde’ personages. Vlakke personages blijven stereotiep op de bladzijde, terwijl ronde profielen en tegenstrijdige aspecten krijgen, en de lezer uitnodigen om om ze heen te lopen. Forsters terminologie doet denken aan de driedimensionale motieven van het kubisme, dat doeltreffend zijn bewering saboteert. Om iemand heen lopen is beseffen dat de facetten van die motieven niet kloppen, net zoals nadenken over je profiel of je achterhoofd, erkennen is dat je jezelf niet kent. In Jacobs kamer (Jacob’s Room) bekijkt Virginia Woolf een voorbeeld van een kubistische etalage, van een kledingzaak in West End. ‘De delen van een vrouw werden apart getoond’; maar de vrouw zelf is er niet. Een onstoffelijke hand houdt een rok vast die het stakerige lichaam niet kan dragen. De figuur heeft vele hoeden, maar geen hoofd. Voeten heeft ze tenminste wel, ‘gepunt goud, of lakleer, gestriemd met rood’. Ulrich wordt in De man zonder eigenschappen losstaand bestudeerd in de loop van een immens lange en uiterst nieuwsgierige roman. Zo kan Musil er zeker van zijn dat hij geen personage is.
Ulrich zelf besteedt de tijd die de roman neemt om hem nergens te doen uitkomen, aan nadenken over het automatisme van het lichaam, de grilligheid van de geest, en de weigering van beide om gemene zaak te maken. Ideeën wervelen onberekenbaar en kortstondig als vuurwerk door zijn geest. Ze verspreiden zich vanuit een middelpunt dat ze niet bezitten en demonstreren ‘een onsamenhangendheid die kenmerkend is voor de huidige tijd en zijn eigenaardige rekenkunde vormt’. Ja, het brein is – net als de aarde – in de twintigste eeuw anders, omdat de bezigheid die we graag denken noemen, warrig en onsamenhangend is. Niemand van ons fluistert in zijn eentje monologen van Shakespeare. En wat voor tere bedrading verbindt het nevelige hoofd met de zenuwtrekkende extremiteiten? Naast veel andere metamorfosen heeft Ulrich een droombeeld van verscheurd worden. Als hij kennismaakt met de politieke gastvrouw Diotima houdt hij haar hand iets langer vast dan gepast is, zodat deze los lijkt te raken in zijn eigen hand. Hij staart ernaar en verbaast zich over de molligheid en gewichtloosheid ervan, en de strijdige taken die de hand moet uitvoeren. ‘Als fundamenteel behoorlijk schaamteloos orgaan’, even promiscue nieuwsgierig als de snuit van een hond, legt de hand zich toch op het hart om trouw te betonen, of betuigt formeel vriendschap aan een vreemde door zweet uit te wisselen. Ulrichs mijmering lijkt op het existentiële onbehagen van Roquentin in de roman De walging (La nausée) (1938) van Sartre. Roquentin ziet de wereld steeds als een gelei – zompig, lillend, instabiel. Hij walgt ervan en verlang naar de ter ziele gegane kosmos van Newton, waarin voorwerpen vast waren en aan mechanische wetten gehoorzaamden. Ulrich, een wat inschikkelijker Weense sensualist, ‘was gevoelig voor Diotima’s schoonheid’, ondanks wat hij bij haar had bedacht. In een vloeiend heelal valt best te leven, want het enige wat je moet doen, is zorgen dat je blijft leven.
Als hij bij een vechtpartij betrokken raakt, verbaast Ulrich zich over het onbewuste reageren van zijn zenuwen en spieren. De keizerlijke bureaucratie van Kakania, waarvan hij een onschadelijke werknemer is, heeft een officieel oordeel over hem – ‘deze complete en voorname persoon, zoals geregistreerd en omschreven door het burgerlijk recht’. De samenleving kon niet bestaan zonder burgers een identiteit aan te meten en te bestempelen als moreel aanspreekbare mensen. Hoe kan ze anders weten wie ze moet vervolgen wanneer ze misdrijven tegen haar begaan? Toch ontkennen deze wetsbepalingen de morele autonomie die ons toebedeeld zou zijn. Als Ulrich wordt gearresteerd na nog een ruzie op straat, met een arbeider die de keizer vervloekt, voelt hij hoe de dreigende, hooghartige rituelen van de wet hem kleinkrijgen. Het proces-verbaal berooft automatisch zijn naam (‘die twee woorden die begripsmatig de armste maar gevoelsmatig de rijkste van de taal zijn’) van zijn kostbare glans, en reduceert zijn gezicht tot een schetsmatig stel categorieën, wat hem weer tot een vlak personage maakt.
Hij ervaart ‘de statische ontluistering van zijn persoon’, wat een van de deprimerende openbaringen van de twintigste eeuw is. In onze tijd dwong de massaliteit van de bevolking regeringen voor het eerst mensen als nummers te beschouwen en ze van een paspoort, identiteitskaart, fiscaal nummer en rijbewisj te voorzien. In de moderne tijd bestaat het individu uit de reeksen nummers die betrekking op hem hebben. Dit was een van de door Kafka bedachte schrikbeelden wiens Joseph K. in Het proces (Der Prozess) en Het slot (Das Schloss) worstelt met een bureaucratie die hem beschuldigt van onduidelijke onregelmatigheden. Hij heeft een vergunning nodig om te bestaan. Tijdens de wanhopige emgiratie van de jaren dertig werd een visum of uitreisvergunning een zaak van leven en dood. In Flüchtlingsgespräche – een dialoog tussen twee Duitse ballingen op het station van Elsinore, waar ze van Denemarken naar Zweden hopen te komen – merkt het ene personage, Kalle, op dat een paspoort het edelste deel is van een mens (zo omschreven humanisten ooit de ziel). Ziffel antwoordt dat een mens louter het stoffelijke vervoermiddel van zijn paspoort is.
