maandag 4 januari 2010

Zeemleer in plaats van schuurpapier

Als er bij ons een kleinzoon verjaart – en ik heb zo stilaan de indruk dat die wakkere knaapjes niets anders te doen hebben, ik sponsor me blauw – dan wil mijn vrouw altijd van die zachtzinnige dingen kopen.
“Ze zien al zoveel geweld op televisie,” zegt ze, en dan doet ze van die pacifistische voorstellen als macramé, en desnoods boetseerklei, al is dat heel slecht voor de tapijten. Maar het worden wel wapens.
Ze hebben al een volledig arsenaal, en dat gaat van gewone, schijnbaar onschuldige waterpistolen tot vernuftige, dure sets, waarmee ze een complete oorlog in de ruimte kunnen voeren, èn winnen, want ze hebben alles. En mocht er dan toch per ongeluk iets fout lopen, dan kunnen ze nog altijd rustig dat waterkanon inschakelen. Dat hoort volgens Delcroix duidelijk nog bij de conventionele wapens, maar in tijd van oorlog word je niet verondersteld je al te strikt aan de afspraken van Genève te houden.
Dat zien ze óók op televisie, en ik ben bovendien in mijn leven al té veel mensen tegengekomen, die overschot van gelijk hebben, maar daar niet zoveel mee opschieten, omdat ze zeemleer op hun ellebogen hebben in plaats van schuurpapier.
“Je moet die kleinkinderen ‘weerbaar’ maken,” zeg ik tegen mijn vrouw, die ze nog altijd maar liever zou leren breien. Maar als ik haar vertel dat breipennen ook levensgevaarlijk kunnen zijn, en dat ze daar laatst in Amerika nog een baby…
Ze doet al teken dat ik moet zwijgen, want ze heeft dat ook gelezen, bij de kapster, want het stond in een blad dat een fatsoenlijk mens niet in huis haalt, maar ja, ’t lag daar en ze moest toch wachten.
“Vroeger was dat toch anders,” probeert ze zwakjes nog iets te redden.
“Vroeger was het nog erger,” zeg ik wreed. “Wij schoten de kanaries dood in hun kooitje, met onze katapult. Die wij notabene nog zelf gemaakt hadden, want onze wapens behoorden tot een generatie, die net na die van het Gallo-Romeins museum kwam.”
Maar karbuur hadden we ook al, en omdat ze niet meer weet wat karbuur is, vertel ik haar hoe je met karbuur geweldige ontploffingen kunt veroorzaken, en als je bij de vijanden een handvol karbuur in zijn toiletput gooide, dan stroomde een uur later de drek over de Perzische tapijten in de salon. Dan moest hij dagenlang in zijn eigen stank leven. Plus die van de karbuur, want karbuur kon ook stinken. Naar rotte eieren.
We maakten onze eigen bogen en pijlen om de valse bleekgezichten met hun gespleten tong neer te schieten, we maakten molotov-cocktails met lege limonade-flesjes, waarin we stukjes film stopten. Die staken we in brand, stop erop, en dan nog op tijd weggooien, gelijk een granaat: bwaaaaam! ’t Was precies echt.
“Geen wonder, dat er op zoveel plaatsen oorlog is,” zegt mij vrouw. “Met zo’n mentaliteit.”
‘Het wàs toen oorlog,” sluit ik mijn haakjes, “wij bevonden ons in staat van wettige zelfverdediging.”

Karbuur
uit: Een zonnebloem in de veranda - Louis Verbeeck

____