[Leonardo] had één probleem, dat de verovering van de natuur aan de kunstenaars had gesteld, duidelijk gezien – een probleem dat niet minder ingewikkeld was dan dat van de samensmelting van correcte tekening en harmonische compositie. De grote werken van de Italiaanse meesters van het quattrocento, die de door Masaccio gegeven leiding volgden, hebben één ding gemeen: hun figuren zien er wat hard en strak uit. Zij lijken bijna van hout. Het vreemde is, dat dit niet wordt veroorzaakt door gebrek aan geduld of aan kennis. Niemand kon geduldiger zijn bij zijn nabootsing van de natuur dan Van Eyck; niemand kon meer af weten van juiste tekening en van perspectief dan Mantegna. En toch lijken, alle grootsheid ten spijt en ondanks het indrukwekkend voorkomen van hun natuuruitbeelding, hun figuren meer op gesneden of gehakte beelden dan op levende wezens. Misschien komt dat hierdoor: hoe nauwkeuriger wij een gestalte, lijn voor lijn en detail voor detail copiëren, hoe minder wij ons kunnen voorstellen, dat zij zich ooit werkelijk heeft bewogen en heeft geademd. Het is dan alsof de schilder haar plotseling had betoverd en haar had gedwongen voor altijd stokstijf te blijven staan, zoals de mensen in de “Schone Slaapster”. De kunstenaars hadden verschillende uitwegen gezocht om uit deze moeilijkheden te komen. Botticelli b.v. had getracht in zijn werken op het golvend haar en de wapperende kledingstukken van zijn figuren bijzondere nadruk te leggen om hun omtrekken minder strak te doen schijnen. Maar Leonardo alleen heeft de ware oplossing van dit probleem gevonden. De schilder moet de beschouwer iets te raden over laten. Als de omtrekken niet zo helemaal vast getekend zijn, als hun vormen enigszins vaag blijven, alsof zij in de schaduw verdwenen, dan zal die indruk van droogte en stijfheid vermeden zijn. Dit is Leonardos befaamde uitvinding, die de Italianen “sfumato” noemen, de verdoezelde contour en de verzachte kleuren, die het mogelijk maken, dat de éne vorm met de andere samenvloeit en altijd iets overlaat aan onze verbeelding. Als wij nu tot de Mona Lisa terugkeren, begrijpen wij wellicht iets van haar geheimzinnig effect. Wij zien, dat Leonardo het middel van zijn sfumato met uiterst fijn overleg heeft aangewend. Ieder, die ooit een gezicht heeft trachten te tekenen, weet, dat wat wij er uitdrukking in noemen, voornamelijk op twee trekken berust: mondhoeken en ooghoeken. En deze delen zijn het nu juist, die Leonardo opzettelijk onduidelijk heeft gelaten door ze te dompelen in zachte schaduw. Daardoor zijn wij nooit helemaal zeker in wat voor stemming de Mona Lisa ons aanziet.
vertaald door Elisabeth Houtzager
XV. De harmonie bereikt: Toscane en Rome, de vroege zestiende eeuw [fragment]
uit:
Eeuwige schoonheid : inleiding tot de kunst met 370 zwarte en gekleurde reproducties - E.H. Gombrich

____