Museumbezoekers worden vaak overdonderd door het aantal kunstwerken dat in de musea te zien is, en door wat zij zien als hun eigen, beschamende onvermogen om zich op meer dan een paar van deze kunstwerken te kunnen koncentreren. In feite is een dergelijke reaktie volkomen redelijk. De kunstgeschiedenis heeft volledig gefaald om klaarheid te brengen in het probleem van de relatie tussen het uitzonderlijke en het gemiddelde kunstwerk in de europese kunsttraditie. Het begrip ‘genie’ is daarop geen adekwaat antwoord. Het gevolg is dat de verwarring binnen de muren van de musea blijft voortbestaan. Een uitzonderlijk kunstwerk wordt omgeven door derderangs schilderijen, zonder dat erkend wordt (laat staan verklaard), wat het fundamentele verschil is. De kunst van welke kultuur dan ook zal altijd grote verschillen in talent te zien geven. Maar in geen andere kultuur is het verschil tussen een ‘meesterwerk’ en werken van gemiddelde kwaliteit zo groot als in de traditie van het olieverfschilderij. In deze traditie is dat verschil niet alleen een kwestie van vakkennis of verbeeldingskracht, maar ook een kwestie van instelling. Het gemiddelde kunstwerk werd – en na de 17e eeuw in toenemende mate – met een meer of minder cyniese instelling vervaardigd; dat wil zeggen: de nominale waarden die het tot uitdrukking bracht, betekenden voor de schilder minder dan dat hij zijn produkt moest verkopen of zijn opdracht voltooien.
vertaald door Max Arjan en Wim Notenboom
uit: Anders zien - John Berger, Sven Blomberg, Chris Fox, Michael Dibb en Richard Hollis

uit: Anders zien - John Berger, Sven Blomberg, Chris Fox, Michael Dibb en Richard Hollis

____