woensdag 17 februari 2010

Zo staan jagers erbij

Haar kortgeknipte haar heeft ze strak in een scheiding gekamd, zoals… ja, zoals dat van de ander. Ze draagt geen hoed en de jonge vrouw lijkt ernstig en angstvallig op haar hoede. De parate wachthouding waarmee ze onder aan de trap staat is vertrouwd en niet bijzonder vrouwelijk, zelfs niet West-Europees: een Française of een Engelse had hier op een andere manier gestaan. Hier staat een nazaat van jagers en vissers, op de loer, met spiedende blik, een kind van een volk dat sinds duizenden jaren strijd levert met de natuur, permanent voorbereid op een taai, zwijgend gevecht. Zo staan jagers erbij, verschanst tussen de meren en de nevelige vlakten die een zenuwzieke aanleg veroorzaken, al eeuwenlang, in de eenzaamheid van winters zonder einde. Haar lichaamshouding is vertrouwd: als ze een stok bij zich zou hebben, had ze een Hongaarse herder kunnen zijn, een jonge herdersknaap op de poesta in een ruige lamspels, blootshoofds en ietwat voorovergebogen, met beide handen op zijn stok steunend, onbeweeglijk en onbewogen het landschap in zich opnemend, het onverschillige en weerbarstige schouwtoneel van het leven waarvan de uiterste en voor hem geenszins tragische zin de dood is.

vertaald door Frans van Nes

uit: De meeuw - Sándor Márai

____