juni 1960. – ‘Als jij een zoon had, zou je het dan niet erg vinden als hij balletdanser werd?’ vroeg M. mij, voor zich uit kijkend naar de wand op de manier waarop ouders en opvoeders mij in mijn schooltijd de verwachting bijbrachten dat er meer in het leven stak dan ik zien kon. Intussen heb ik geleerd waar hij waarschijnlijk aan denkt: een onzekere carrière, twijfelachtige seksuele zeden, en in het algemeen een niet echt-mannelijk beroep. Het antwoord moet niettemin nee zijn, maar ook met een blik naar de wand, omdat de ware opheldering te moeilijk zou worden. Een dansende zoon zou een sterk ondervonden tekort van mij goedmaken. Het onhandige lichaam heeft altijd in de weg gezeten. Lopen is lastig, met benen die alle richtingen uitzwaaien; zitten vervelend, met een romp die een scheve stand verkiest; liggend tot daar aan toe, maar als gedwongen standaardhouding op den duur demoraliserend. Het zou een onbetaalbare vreugde zijn om een zoon te zien bij wie alles ritmisch aaneensloot. Te veel ontmoetingen die gracieus hadden moeten worden zijn voor mij bedorven door een dwalende loop en een zit als een zoutzak. Ik herinner mij lange zinnen vol van beperkende tussenzinnen, geconstrueerd met niet minder dan een grammaticale jongleerkunst, waarvan de betekenis toch nauwelijks groter was dan die van een enkel tussenwerpsel. Allemaal uitleggingen, wie zou zich daarvoor interesseren? Een danser heeft zulke middelen niet nodig. Zijn voeten staan licht op de grond, zijn lichaam beweegt zich in welzijn; hij strekt soepel zijn arm uit, en dan komen er twee of drie korte woorden, ‘Denk ik’, of ‘Ga mee weg’, die spotten met het begrip opheldering. Soms lijkt het mij eenvoudig zielig, dat iemand het moeizame opschrijven van woorden nodig heeft om iets van een ritme in het bestaan te suggereren.
