Aan de rand van menig dorp stond of staat zo’n schijnbaar obligate watertoren. Zo ook, en ik prijs me daarom gelukkig, in mijn geboortedorp. Die toren van mijn kinderjaren vervulde me met een niet aflatende stroom van raadselen. Er zaten geen ramen in, je mocht er nooit en te nimmer bij, niemand sprak er over, en wanneer je af en toe de grote toegangsdeur wijdopen stond liep je snel voorbij, want er was zeker geheimzinnig bezoek. Dat het water ergens bovenin zat, ja, dat wist je; maar waar het vandaan kwam? Dat de regen er van boven in viel, leek je al te gek, dus bleef er niets anders over dan te veronderstellen dat de hele toren een soort buis was die water uit de grond opzoog, als een zuignap neergeplant op de aardkost. Maar ook in dat geval klopte lang niet alles. Het was een geheim om niet aan te denken.
Je kon er ook niemand naar vragen, want deed je dat, dan begon de ondervraagde prompt glazig te kijken en in de verte te turen.
Op school leerden ze je de bodemgesteldheid van Drente, en hoeveel kilometer A in zoveel tijd gelopen had wanneer B in dezelfde tijd zo-en-zoveel kilometer had gelopen, maar een kwartier eerder met een gebroken enkel was vertrokken. Over zoiets raadselachtigs als de werking van watertorens: geen woord. Ik maak me sterk dat ook nu de kinderen meer geleerd wordt over de rietsuikerproduktie in de wereld en de veranderde arbeidsomstandigheden dan over hoe een stoplicht of de postgiro werkt. (Het onlangs verschenen
Het goud van de postgiro heb ik met tienmaal meer geboeidheid en adembenemende spanning gelezen dan het laatste boek van H. Mulisch, zoals ik ook Wehkamps postordercatalogus geïnteresseerder spel dan al het werk van de heer J. Bernlef – Jan? Joop? Jezebel? – die toch veel moois geschreven heeft.)
De Medusa's van de architectuur [fragment]
uit:
Daar is het gat van de deur : kritieken en essays - Gerrit Komrij

____