De historicus Coen Tamse ontdekte in de relatie tussen Nederland en België in de negentiende eeuw een patroon van toenadering in tijden van Europese crisis wanneer de twee landen zich van hun kwetsbaarheid bewust werden en bedachten dat ze in hetzelfde schuitje zaten, en van verwijdering in tijden van ontspanning wanneer de wederzijdse ergernissen meer ruimte kregen. De Eerste Wereldoorlog verstoorde dat patroon ruw; dat het ene land meedeed en het andere niet, plaatste ze in geheel verschillende posities. Aan het begin van de oorlog werden veel gevluchte Belgen in Nederland opgevangen, maar rechtstreeks drong de oorlog er niet door. Veel van de neutrale Nederlanders keken verbijsterd maar ook wel afstandelijk naar de ellende die de oorlogvoerenden elkaar aandeden. De Belgen zaten er middenin. Het land was een belangrijk slagveld van de oorlog, maar terwijl rondom hen de strijd woedde dachten Belgische politici al na over wat er na de oorlog moest veranderen. België was te kwetsbaar gebleken, nu was het moment daar om eindelijk de grenzen te trekken. Nu de hele wereld toch op zijn kop stond, leek het verschuiven van grenzen meer binnen bereik dan anders. De oorlogvoerenden, met Frankrijk voorop, stoorden zich aan het neutrale Nederland en leken wel geneigd op de Belgische verlangens in te gaan. Bij de vredesonderhandelingen na de oorlog dienden de zwaar getroffen Belgen dus het hele verlanglijstje in: Limburg, Luxemburg, Zeeuws-Vlaanderen, vrije doorvaart van oorlogsschepen naar Antwerpen, versterking van de haven van Antwerpen… Nederland zou dan maar gecompenseerd moeten worden met stukjes Duitsland.
Het Belgisch-Nederlands verdrag van 1927 - Henk te Velde [fragment]
uit:
Het geheugen van de Lage Landen - Jo Tollebeek en Henk te Velde (red.)

____