Regel 1. Stel een retorische vraag. ‘Kortom, we waren een tolerant volk Tolerant?’ Waardoor we al invullen: nou, waarschijnlijk niet zo heel erg tolerant. Vermoedelijk is de retorische vraag populair geworden doordat redacteuren van geschiedenisprogramma’s heel veel Asterixen hebben gelezen (‘Héél Gallië? Nee, één klein dorpjes…’)
Regel 2. Gebruik een fragment uit een oude brief. Deze moet worden voorgelezen op uiterst trage, neutrale toon (want vroeger is traag). Die brief begint meestal zo: ‘Bandoeng. 24 februari. Moeder, dank voor de gestampte muisjes. Er zal in Holland nu wel geschaatst worden.’
Regel 3. Werp het begrip ‘mythe’ op. Het liefst op deze manier: ‘Feit? Of mythe?’ En kijk dan met één opgetrokken wenkbrauw de camera in.
Regel 4. Gebruik zo veel mogelijk de tegenwoordige tijd. Onder de makers van geschiedenisdocumentaires is de verleden tijd absoluut taboe. Want als de geschiedenisdocumentaire iets wil overbrengen, dan is het wel dat de geschiedenis niet de geschiedenis is. Dus niet zeggen: ‘De Germanen woonden op terpen en wierden,’ maar: ‘De Germanen wonen op terpen en wierden.’
Regel 5. Doe nog gekker en gebruik de toekomende tijd! In de serie Verleden van Nederland, die werd gepresenteerd door een zich door het landschap bewegende Charles Groenhuijsen: ‘De Batavieren zullen gevolgd worden door nieuwe groepen mensen. Dat zijn onze voorouders.’
Regel 6. Gebruik… aan het eind van de documentaire… veel pauzes… midden in de zin. Hierdoor horen de kijkers vanzelf dat het bijna afgelopen is, en krijgen de eindzinnen en passant nog wat pseudobetekenis mee. Nog een voorbeeld uit Verleden van Nederland: ‘Totdat er een nieuw tijdperk aanbreekt… met nieuwe verhalen… en nieuwe helden.’ En: start de eindtune in.
Bandoeng. 24 februari
uit: Taal is zeg maar echt mijn ding - Paulien Cornelisse

____