Natuurlijk hebben mensen uit de midden- en bovenklasse, die zich in een slaapkamer konden terugtrekken, de meeste gelegenheid om te denken. In de onderste sociale lagen was het door het gebrek aan tijd en ruimte moeilijker om alleen te zijn. Toch waren er vanaf halverwege de zeventiende eeuw al veel arbeidersgezinnen die in een huis met meerdere kamers woonden. Bovendien deden zich op sommige avonden ook gelegenheden voor om zich in een schuur of stal terug te trekken. Aan het eind van de vijftiende eeuw werkte de Parijse bediende Jean Standonck overdag in een klooster, terwijl hij ’s avonds de klokkentoren beklom om bij maanlicht boeken te lezen. De touwslagersleerling Thomas Platter trotseerde dagelijks zijn meester door ’s nachts stiekem op te staan om bij het zwakke schijnsel van een kaars Grieks te leren. Om niet in slaap te vallen deed hij kiezelsteentjes, koud water of stukjes rauwe voederknol in zijn mond. Anderen wikkelden hun hoofd wel in natte lappen om wakker te blijven. Het wijdverbreide gezegde ‘de nacht brengt raad’ gold voor mensen van verschillende sociale achtergronden.
vertaald door Meile Snijders
De algemene weldoenster [fragment]
uit: Nacht en ontij : de geschiedenis van de nacht in de voorindustriële tijd - Roger Ekirch

___