15 aug. 1980 – In het lezersleven waar ik van droom zou eens in de maand de roestige witte raderboot om de bocht van de rivier tussen de hoge groene wanden van de jungle in het zicht komen. Bij de post die ons een half uur later op de aanlegsteiger ter hand gesteld werd zou een pakket zijn bevattende oude kranten van vier weken en drie boeken: een literair, een historisch en een essayistisch of kritisch of filosofisch.
Die boeken zou ik in de volgende weken langzaam lezen, ’s middags op mijn veranda en soms nog ’s avonds laat in het kleine schijnsel van een olielamp. Het zou voorkomen dat ik meegesleept werd door een boek en het de eerste nacht al uit had, waarna ik tot de ochtend slapeloos mijn afzondering bleef vervloeken; anderzijds zouden er werken zijn waar ik moeizaam en met tegenzin in opschoot, maar die ik tenslotte toch dankbaar was omdat ze mij zoveel weerwerk hadden afgedwongen en meer Europa hadden opgeroepen dan de meeslepende – waarna ik opnieuw een nacht lang mijn afzondering lag te vervloeken.
Een aangenaam leven zou het niet zijn, maar de boeken zouden er tot hun recht komen en ieder een stuk van mijn persoonlijk geschiedenis vertegenwoordigen terwijl ze beschimmeld en door de insekten aangevreten op de wankele planken stonden. Denk maar aan de dag dat de rode ongeschoren kapitein op de steiger zou stappen zonder het pakketje onder zijn arm, omdat het niet op de gewone tijd aan de kust gearriveerd was. Een maand zonder! Met een hoofdknik van begrip draaide ik mij om en liep nietsziend terug naar mijn veranda.
Dat probleem kennen wij niet in Amsterdam. De kunst is niet om de boeken te pakken te krijgen maar om de stroom te kanaliseren. Hoe meer een lezer leest, hoe meer de gedachte aan alles wat nog ongelezen is zich opdringt.
