Ik bekijk hem en vind dat er te veel letters in zijn naam zitten.
‘Ma-na-pa-ren-ko’, herhaal ik traag.
‘Ik ben een kunstenaar.’
Ik vraag hem welke kunstjes hij kan.
Hij lacht. Zo te zien vindt hij me wel grappig.
‘Ik schilder gangen’, zegt hij.
‘’s Nachts?’
‘Ja, ’s nachts.’
‘Je verft ze niet, je schildert ze?’
‘Ik ben een schilder, ik verf niet.’
En dan wordt het stil.
Ik zwijg en hij krast met zijn penseel op het doek.
‘Ben je niet bang voor me?’
‘Niet meer. Als Souhaila me zomaar achterlaat bij jou, weet ik dat ik niet bang hoef te zijn. Als je gevaarlijk was, had mijn zus me wel onmiddellijk meegenomen naar de elfde.’
‘Dat is waar.’
‘Mijn zus kent jou en jij kent mijn zus. Toch zei je daarnet van niet.’
‘Dat is waar en niet waar.’
‘Ik geloof je niet. Iets is helemaal waar of het is helemaal niet waar.’
‘In dit geval is het anders. Ik weet wie je zus is, maar of ik haar echt ken?’
‘Mag ik jouw schilderij zien?’
‘Nee’, zegt hij, maar hij draait toch voorzichtig de ezel naar me toe en toont het schilderij.
‘Waarom zeg je nee, terwijl je ja bedoelt?’
‘Omdat ik nee zei, kijk je nu veel aandachtiger.’
Het is een vreemde man, maar ik denk dat hij ook heel slim is.
