De erfgenaam van het familielandgoed was meestal voortgekomen uit het eerste huwelijk en de weduwe, vrouw nummer twee of drie, was zijn stiefmoeder en soms jonger dan de erfgenaam zelf. Oedipale spanningen (‘die sexy jonge griet, de derde vrouw van mijn vader en nu zijn weduwe, jaagt het landgoed van mijn ouweheer erdoorheen,’ een geweldige plot die Shakespeare en Hollywood over het hoofd zagen) konden de hebzuchtige minachting van een erfgenaam hoog doen opvlammen en zorgden ervoor dat deze niet voor zijn stiefmoeder of zelfs zijn eigen moeder wilde zorgen in deze wrede, zelfzuchtige maatschappij.
Daarom kwam de wet tussenbeide en verordonneerde dat elke weduwe tot haar overlijden het recht had op een ‘weduwgift’, een derde van het inkomen (niet van het kapitaal) van het landgoed van haar man. Binnen veertig dagen na het overlijden van haar man moest zij het familielandhuis verlaten hebben. Maar een derde van het inkomen van de familiegronden stelde haar in staat om elders comfortabel te leven en de rol van de grote douairière te spelen.
vertaald door Bonella van Beusekom
uit: De zwarte dood : hoe de pest de wereld veranderde - Norman F. Cantor

____