maandag 17 mei 2010

De vertolker van de natuur en de wetgever van de mensheid

‘De plicht van de dichter,’ zei Imlac, ‘is om niet het individu, maar de soort te onderzoeken, om de algemene eigenschappen te beschouwen, en de brede verschijningsvormen; hij telt niet de strepen van de tulp, noch beschrijft hij de verschillende schakeringen in het groen van het woud. Hij moet in zijn schilderingen van de natuur juist die in het oog springende en treffende kenmerken ten toon spreiden, die het oorspronkelijke bij elke geest oproepen; en hij moet de kleinere onderscheidingen verwaarlozen, die de een kan hebben opgemerkt, en een ander veronachtzaamd, ten gunste van die kenmerken welke evenzeer opvallen bij oplettendheid als bij onverschilligheid.
Maar de kennis der natuur is slechts de halve taak van een dichter; hij moet evenzo bekend zijn met alle levenswijzen. Zijn hoedanigheid vereist dat hij een juiste schatting maakt van het geluk en de rampspoed van iedere omstandigheid; dat hij acht slaat op het vermogen van alle hartstochten in al hun verbindingen, en naspeuringen verricht naar de veranderingen van de menselijke geest, zoals deze worden beïnvloed door uiteenlopende instellingen en toevallige invloeden van klimaat of gewoonte, vanaf de dartelheid der kindertijd tot de mistroostigheid van het menselijk verval. Hij moet zich ontdoen van de vooroordelen van zijn tijd of land; hij moet recht en onrecht beschouwen in hun onafhankelijke en onveranderlijke vorm; hij moet zich niet inlaten met huidige wetten en opvattingen, maar zich verheffen tot algemene en alles overstijgende waarheden, die altijd hetzelfde zullen zijn, hij moet zich dan ook tevreden stellen met de trage opgang van zijn naam; geen waarde hechten aan de toejuiching van zijn eigen tijd, maar zijn aanspraken overlaten aan de rechtvaardigheid van het nageslacht. Hij moet schrijven als de vertolker van de natuur, en de wetgever van de mensheid, en zich beschouwen als de bestuurder van de gedachten en zeden van toekomstige generaties; als een wezen verheven boven tijd en plaats.
Zijn arbeid is nog niet ten einde: hij moet vele talen en vele wetenschappen kennen; en, opdat zijn stijl zijn gedachten waardig moge zijn, moet hij zich, door onophoudelijke oefening, vertrouwd maken met elke sierlijkheid van spraak en bevalligheid van samenklank.’

Imlac voelde nu de vlaag van vervoering, en wilde al voortgaan met het verheerlijken van zijn eigen beroep, toen de prins uitriep: ‘Genoeg! U hebt mij overtuigd dat geen mens ooit een dichter kan zijn. Ga verder met uw verhaal.’
‘Een dichter zijn,’ zei Imlac, ‘is inderdaad zeer moeilijk.’
‘Zo moeilijk,’ kaatste de prins terug, ‘dat ik op het ogenblik niets meer wil horen over zijn inspanningen. Vertel me waar u naar toe ging toen u Perzië had gezien.’

vertaald door Wim Tigges

uit: De geschiedenis van Rasselas, prins van Abessinië - Samuel Johnson


____