Historisch gezien is Pāṇini’s grammatische methode voor het Indisch denken even centraal geweest als Euclides’ geometrische methode voor het westerse denken. Daarom is het wetenschappelijke denken in India een geheel andere weg gegaan dan in het Westen. Pāṇini’s systeem leidde bij voorbeeld al vroeg tot logische onderscheidingen als tussen taal en metataal, theorema en metatheorema, ‘use’ en ‘mention’ die in het Westen veel later zijn ontdekt. Elders in de Indische wetenschap, bij voorbeeld in wis- en sterrenkunde evenals in de latere taalkunde van Sanskriet zowel als van Prakriet en Tamiel, worden systemen van afkortingen gebruikt die niet alleen kunstig zijn, maar ook andere voorbeelden verschaffen van dezelfde wetenschappelijke methodiek. In India is Pāṇini’s perfectie buiten de taalkunde zelden of nooit bereikt. Dit komt overeen met de in het Westen wijdverbreide mening dat de wiskunde de meest volmaakte wetenschap is. Evenals Plato de toegang tot zijn Academie voorbehield aan meetkundigen geldt voor vele Indische geleerden en filosofen dat zij allereerst getraind moeten zijn in de wetenschappelijke taalkunde. (…)
Het eenvoudsprincipe speelt een grote rol in de latere Indische logica, waar zwaarwichtige oplossingen onmiddellijk worden verworpen ten bate van eenvoudiger en eleganter formuleringen. Gecompliceerde redeneringen, theorieën en technische begrippen die bij voorbeeld de ritualistische filosofen van de Mimāṃsā postuleren worden door logici verworpen, omdat zij van meer elementaire vormen kunnen worden afgeleid. Het overboord gooien van zulke complicaties wordt steeds toegelicht met eenzelfde uitdrukking:
gauravāt ‘wegens zwaarte’. Het is duidelijk dat dit Indische scheermes ook met vrucht zou kunnen worden gebruikt in de westerse wijsbegeerte waar de zware voorbeelden voor het grijpen liggen.
Euclides en Pāṇini : twee methodische richtlijnen voor de filosofie [fragment]
uit:
Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap - Frits Staal

____