Iedereen was weg. In afwachting van andere disciplines waren het huis en ik nu een paar dagen op elkaar aangewezen. Ik werkte in mijn eentje. Soms weergalmden mijn hamerslagen in het bouwwerk als in een kathedraal. In de door de overstroming verwoeste vertrekken hing een ondefinieerbare lucht van modder en schimmel, zeewier en paddestoelen. Het leek of het houtwerk, de plankenvloeren, de pleisterkalk gistten onder een aangekoekte laag brak vocht die langzaam opdroogde. Ik had me tot taak gesteld de vertrekken te saneren, maar de afmetingen waren enorm. Ik beulde me af, en aan het einde van de dag had ik het onaangename gevoel niets te zijn opgeschoten. Het huis stelde me op de proef, die gedachte liet zich niet meer verdrijven. Toen ik de verbouwing in gang zette, had ik een vredigheid en evenwicht verstoord die het gevolg waren van afzondering en vergetelheid. Het huis was aan zijn lot overgelaten geweest, en had zich teruggetrokken in zichzelf, bepaalde zelf het tempo van zijn verval, zijn trage teloorgang. Er bestond een soort stilzwijgende overeenkomst tussen de constructiematerialen en de grauwe schimmel die ze aanvrat. Het houtwerk en de micro-organismen die het vernietigen, leven altijd in goede verstandhouding, mits de mensen zich er niet mee bemoeien. Met mijn rumoerig gereedschap, mijn simpele ideeën was ik die stille en complexe wereld binnengedrongen. Geflankeerd door gestoorde barbaren, woeste honden, onbeschaamde transistors, een afkortzaagmachine met automatische smering had ik een oeroud vredesverdrag ruw verstoord. En voor dat wangedrag presenteerde het huis me de rekening (…).
vertaald door Marianne KaasDe adempauze
uit:
De verbouwing : hoe een Fransman zijn geduld verliest - Jean-Paul Dubois

____