zaterdag 22 mei 2010

Meer dan één zonde

Terwijl het in vroeger eeuwen, van moraliserende bedoelingen vervuld, er juist om te doen was in verhaal of drama een zonde uit te beelden als afschrikwekkend exempel, is dit in de moderne literatuur natuurlijk niet meer zo. Moderne schrijvers scheppen geen zinnebeelden, maar complete mensen, wat als gevolg heeft dat hun personages er meer dan één zonde op na houden.
Toch zijn er ook na de Renaissance wel boeken geschreven die in hoofdzaak over een enkele zonde gaan. Om er, op goed geluk, een paar te noemen: Eugénie Grandet (gierigheid), Oblomov (traagheid), Moby Dick (gramschap), The lost weekend, Under the volcano (dronkenschap). De afgunst is geschetst door Oljesja in Afgunst en hele legers pornografen bezingen de onkuisheid. Wat de onmatigheid betreft is natuurlijk de film La grande bouffe klassiek. Maar, al komen in menig ouder kunstwerk goed doorvoede personen op het toneel, er wil me eigenlijk niets te binnen schieten waarin de corpulentie zozeer centraal staat als in de roman van Béraud.
Dat literatoren zich over het algemeen weinig tot dit onderwerp aangetrokken hebben gevoeld, is ook wel te begrijpen, vooral na de lectuur van Le martyre de l’obèse.
Dronkenschap die tot (hogere?) wartaal aanleiding geeft en tot onberaden daden leidt, wordt tragisch gevonden, of op zijn minst romantisch. Niet te tellen zijn de kunstenaars wier roem voor een groot deel berust op het feit of op de legende dat zich doodgedronken hebben.
Luiheid is deftig; dit behoeft geen betoog.
Afgunst menselijk, al te menselijk.
Hebzucht is wel verachtelijk, maar de resultaten ervan zijn benijdenswaardig in het oog van de toeschouwer: de hebzuchtige wordt rijk.
Gramschap is gevaarlijk en daarom indrukwekkend.
Roemzucht en hoogmoed plegen zichzelf te straffen, zijn daarom tragisch en dus vergeeflijk.
Maar vraatzucht! Wat doet vraatzucht voor mensen die grote hoeveelheden voedsel niet goed kunnen verteren en er dik van worden? Het maakt ze belachelijk.

Henri Béraud [fragment]
uit: Klaas kwam niet - W.F. Hermans


____