dinsdag 11 mei 2010

Onverbrekelijk verbonden met onvrede

Een gezin, schreef Dr. Johnson eens, is een klein koninkrijkje, verscheurd door conflicten en blootgesteld aan revoluties. Dit is natuurlijk niet echt een galmende aanprijzing van het gezinsleven; en de grote Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen, wiens kindertijd even ongelukkig was als die van Johnson, zou met deze bewering hebben ingestemd. Maar anders dan Ibsen merkte Johnson op dat ieder oordeel betrekkelijk is; dat je een instelling of gebruik alleen op de juiste manier kon beoordelen wanneer je ze vergeleek met de alternatieven. Het huwelijk kent tal van smarten, zegt Johnson in Rasselas, maar het celibaat geen genoegens.
Volgens Johnson was het menselijk bestaan onverbrekelijk verbonden met onvrede. Het ligt in de natuur van de mens om ten prooi te vallen aan onverenigbare verlangens – bijvoorbeeld dat naar geborgenheid en dat naar opwinding. Als hij het een heeft, verlangt hij naar het ander, zodat tevredenheid zelden onvermengd is en nooit van blijvende aard.
Maar de meeste mensen vinden het troostrijker om in vervolmaakbaarheid dan om in onvervolmaakbaarheid te geloven – een voorbeeld van wat Dr. Johnson aanduidde als het triomferen van de hoop over de ervaring. Het begrip ‘onvervolmaakbaarheid’ wakkert niet alleen existentiële angsten aan maar stelt bovendien – door simpele oplossingen voor alle menselijke problemen uit te sluiten – veel lastiger intellectuele eisen aan ons dan vormen van utopisme. Niet iedere vraag kan worden beantwoord met de verwijzing naar wat eenvoudige abstracte principes die, als ze maar strikt genoeg worden nageleefd, tot volmaaktheid zouden leiden – daarom is het ook zoveel moeilijker om conservatisme tot slagzinnen te reduceren dan zijn veel abstractere concurrenten.

vertaald door Jabik Veenbaas

Het onbehagen van Ibsen [fragment]
uit: Profeten en charlatans : hoe schrijvers ons de wereld laten zien - Theodore Dalrymple


____