‘Zie je dat? Dat is het soort plongeur die ze ons vandaag de dag sturen. Waar kom je vandaan, idioot? Uit Charenton soms?’ (In Charenton is een groot krankzinnigengesticht.)
‘Uit Engeland,’ zei ik.
‘Als ik het niet gedacht had. Nou, mon cher monsieur l’Anglais, mag ik u meedelen dat u hoerenkind bent? En donder nou op naar de andere toonbank waar je hoort.’
(…)
Nadat hij me de hele dag voor varken enz. had uitgemaakt was hij tot mijn verbazing plotseling erg welwillend. Nu begreep ik dat al dat vloeken dat hij op me gedaan had alleen maar een soort proefperiode was geweest.
‘Zo is ’t wel genoeg, mon p’tit,’ zei de kelner. ‘Tu n’est pas débrouillard maar je werkt goed. Kom mee naar boven voor je avondeten. Van het hotel krijgen we elk twee liter wijn en ik heb nog een extra fles gegapt. We zullen even goed innemen.’
We aten uitstekend van wat het hogere personeel had overgelaten. De kelner, lichtelijk aangeschoten geraakt, vertelde me verhalen over zijn liefdesaffaires en over twee mensen die hij in Italië had neergestoken en hoe hij zijn militaire dienstplicht had ontdoken. Als je hem eenmaal kende was het een goeie vent. Op de een of andere manier deed hij me denken aan Benvenuto Cellini.
vertaald door Joop Waasdorp
uit: Aan de grond in Londen en Parijs - George Orwell

____