vrijdag 28 mei 2010

Tu n’est pas débrouillard

De keuken was iets onvoorstelbaars. Ik had nog nooit zoiets gezien: een verstikkend hete lage kelder, rood verlicht door de vuren, een oorverdovende hel door het lawaai van vloeken en het gerammel van potten en pannen. Het was zo heet dat al het metaal behalve de kachels met lappen bedekt moest worden. In het midden waar de fornuizen stonden sprongen twaalf koks heen en weer. Ondanks hun witte mutsen droop hun gezicht van het zweet. Rondom waren toonbanken waar een ploeg kelners en plongeurs met dienstbladen kabaal maakten. Keukenjongens, tot het middel naakt, waren bezig de vuren te stoken en enorme koperen braadpannen met zand schoon te schuren. Iedereen scheen haast te hebben en woedend te wezen. De chefkok, een forse man met een vuurrood gezicht en grote snorrebaarden stond in het midden. Voortdurend dreunde zijn stem – ‘Ça marche deux oeufs brouillés! Ça marche un Chateaubriand aux pommes sautées!’ – behalve wanneer hij even ophield om een plongeur uit te vloeken. Er waren drie toonbanken en toen ik de eerste keer in de keuken kwam ging ik uit onwetendheid met mijn dienblad naar de verkeerde toonbank. De chefkok kwam naar me toe, draaide aan zijn snor en nam me van onder tot boven op. Toen riep hij de kok die voor het ontbijt zorgde en wees naar me.
‘Zie je dat? Dat is het soort plongeur die ze ons vandaag de dag sturen. Waar kom je vandaan, idioot? Uit Charenton soms?’ (In Charenton is een groot krankzinnigengesticht.)
‘Uit Engeland,’ zei ik.
‘Als ik het niet gedacht had. Nou, mon cher monsieur l’Anglais, mag ik u meedelen dat u hoerenkind bent? En donder nou op naar de andere toonbank waar je hoort.’
(…)
Nadat hij me de hele dag voor varken enz. had uitgemaakt was hij tot mijn verbazing plotseling erg welwillend. Nu begreep ik dat al dat vloeken dat hij op me gedaan had alleen maar een soort proefperiode was geweest.
‘Zo is ’t wel genoeg, mon p’tit,’ zei de kelner. ‘Tu n’est pas débrouillard maar je werkt goed. Kom mee naar boven voor je avondeten. Van het hotel krijgen we elk twee liter wijn en ik heb nog een extra fles gegapt. We zullen even goed innemen.’
We aten uitstekend van wat het hogere personeel had overgelaten. De kelner, lichtelijk aangeschoten geraakt, vertelde me verhalen over zijn liefdesaffaires en over twee mensen die hij in Italië had neergestoken en hoe hij zijn militaire dienstplicht had ontdoken. Als je hem eenmaal kende was het een goeie vent. Op de een of andere manier deed hij me denken aan Benvenuto Cellini.

vertaald door Joop Waasdorp

uit: Aan de grond in Londen en Parijs - George Orwell


____