Misschien valt het nog het best te vergelijken met een oud groot huis, waarin verschillende families sinds generaties dezelfde kamers bewoonden. Op een dag werd beslist dit huis te renoveren en te herschikken. Er kwamen architecten, werklieden, decorateurs en ambtenaren. Er werden muren gesloopt, bredere trappen en nieuwe ramen geplaatst, zolderingen verlaagd, souterrains ontruimd… Terwijl men werkte werden de families opnieuw over het gebouw verdeeld. De oude huisbewaarder kreeg nog wel het fraaiste appartement, maar hij werd verzocht zich verder niet meer met de bewoners in te laten. Er kwam een nieuw huisreglement. Enkele gezinnen mochten hun vroegere kamers betrekken, andere verhuisden naar een hogere of lagere verdieping. Er kwamen ook nieuwe bewoners, vreemde stumperds die in de kelders werden ondergebracht. Sommige mensen voelden zich fier en opgetogen: in het opgeknapte gebouw viel meer licht binnen en het stof en vuil dat zich jarenlang in de hoeken had opgehoopt, was eindelijk verdwenen. Voor anderen echter was er iets mis met het huis. Als je hen gevraagd zou hebben wat hen precies stoorde zouden ze waarschijnlijk alleen de schouders opgehaald hebben, mompelend dat ze het niet precies wisten, maar dat alles anders was. Ze misten het vergeelde behang en de wankele trap. Ze zaten verveeld met hun nieuwe buren of klaagden over het eeuwige gestommel in de gangen. Er werd verhuisd, kamers werden verruild, kamers werden met geweld in bezit genomen, de huisbewaarder werd verjaagd, een nieuwe huisbewaarder werd ingehaald. Jongemannen smeedden zelfzeker steeds weer nieuwe plannen om het gebouw te verbeteren, aan te passen aan nieuwe noden, te moderniseren totdat het een perfect huis zou zijn. Er ging geen dag voorbij of men was ergens in de weer. Maar het souterrain bleef overbevolkt, men vernielde dingen, altijd was er iemand ontevreden. Er waren mensen die nooit een geschikte plaats vonden in het huis en in de gangen een onderkomen zochten, van waaruit ze het reilen en zeilen van de bewoners verbijsterd gadesloegen. Soms dwaalden daar oude mannen rond, in de hoop nog een glimp op te vangen van de huisbewaarder of speurend in de hoeken naar het stof dat de sporen droeg van vroeger. Maar de huisbewaarder kwam niet terug naar het vernieuwde huis en nooit had het stof nog de tijd om zich in de hoeken op te hopen.
Heimwee naar het oude huis [fragment]
uit: De negentiende eeuw : een betwiste erfenis - Sabine Alexander

____