donderdag 3 juni 2010

Een wereld zo dun als papier

Met de dood van [Henry] James was het gevoel voor religie bij de Engelse roman verloren en met het religieuze gevoel verdween het gevoel dat de menselijke daad van belang was. Het was alsof de wereld van de roman een dimensie kwijt was geraakt: de karakters van belangrijke schrijvers zoals Virginia Woolf en E.M. Forster dwaalden als kartonnen symbolen door een wereld zo dun als papier. Zelfs in een van de meest materialistische van onze grote romanschrijvers – in Trollope – zijn wij ons bewust van een andere wereld waartegen de daden van de karakters in reliëf uitkomen. De onbehouwen dominee die op zijn zwarte laarzen door de modder stapt, die zo onhandig met zijn paraplu omgaat, praat over zijn miserabele traktement en zich stotterend door een huwelijksaanzoek heen werkt, bestaat nog, terwijl Virginia Woolfs mijnheer Ramsay dat nooit doet, omdat wij er ons van bewust zijn dat die dominee niet alleen bestaat voor de vrouw waar hij tegen spreekt maar ook voor het oog van God. Zijn belang in de wereld van de zinnen evenaardt alleen zijn kolossale belang in een andere wereld.
De romanschrijver, zich misschien onbewust bewust van zijn hachelijke positie, zocht zijn toevlucht in de subjectieve roman. Het leek alsof hij dacht dat hij door te graven in de lagen van de persoonlijkheid die tot nog toe onberoerd waren, een geheim van ‘belang’ zou kunnen opgraven, maar met die graafoperatie verloor hij weer een andere dimensie. De zichtbare wereld hield even volledig voor hem op te bestaan als de geestelijke. Mevrouw Dalloway, door Regent Street lopend, was zich bewust van de glinsterende winkelramen, van het langsglijden van auto’s, de conversatie van de winkelende mensen, maar het was niets anders dan een Regent Street gezien door mevrouw Dalloway dat aan de lezer overgebracht werd. Een aardig, tamelijk gevoelig vers in proza was Regent Street geworden; een luchtstroming, een vleug geur, een sprankeling van glas. Maar, protesteren wij, ook Regent Street heeft een recht op bestaan, die is reëler dan mevrouw Dalloway en wij zien met heimwee terug op de eethuizen, de binnenplaatsen, de stille zondagse straten van Dickens. Dickens’ karakters waren van onsterfelijk belang en de huizen waarin zij beminden, de woningen waarin ze zichzelf verdoemden kregen waarde door hun aanwezigheid. Zij kregen het recht te bestaan zoals ze waren – vervormd, indien dat zo was, door niets anders dan het oog van wie hen waarnam – niet nog verder vervormd door een op de verbeelding berustend karakter.

vertaald door Clara Eggink

François Mauriac [fragment]
uit: Dertig essays - Graham Greene


____