De romanschrijver, zich misschien onbewust bewust van zijn hachelijke positie, zocht zijn toevlucht in de subjectieve roman. Het leek alsof hij dacht dat hij door te graven in de lagen van de persoonlijkheid die tot nog toe onberoerd waren, een geheim van ‘belang’ zou kunnen opgraven, maar met die graafoperatie verloor hij weer een andere dimensie. De zichtbare wereld hield even volledig voor hem op te bestaan als de geestelijke. Mevrouw Dalloway, door Regent Street lopend, was zich bewust van de glinsterende winkelramen, van het langsglijden van auto’s, de conversatie van de winkelende mensen, maar het was niets anders dan een Regent Street gezien door mevrouw Dalloway dat aan de lezer overgebracht werd. Een aardig, tamelijk gevoelig vers in proza was Regent Street geworden; een luchtstroming, een vleug geur, een sprankeling van glas. Maar, protesteren wij, ook Regent Street heeft een recht op bestaan, die is reëler dan mevrouw Dalloway en wij zien met heimwee terug op de eethuizen, de binnenplaatsen, de stille zondagse straten van Dickens. Dickens’ karakters waren van onsterfelijk belang en de huizen waarin zij beminden, de woningen waarin ze zichzelf verdoemden kregen waarde door hun aanwezigheid. Zij kregen het recht te bestaan zoals ze waren – vervormd, indien dat zo was, door niets anders dan het oog van wie hen waarnam – niet nog verder vervormd door een op de verbeelding berustend karakter.
vertaald door Clara Eggink
François Mauriac [fragment]
uit: Dertig essays - Graham Greene

____