Wie doceert, dient onophoudelijk te wijzen op de wonderen van schijnbaar alledaagse dingen. Hoe dichtbij die verwondering ligt kun je in elk venster zien: ’s avonds in een verlichte kamer kun je je spiegelbeeld in het glas bekijken, maar iemand die buiten staat kan jou ook zien. Dat is niet gewoon, maar integendeel buitengewoon vreemd. Gaat een deel van het licht door de ruit omdat er piepkleine gaatjes in zitten? Nee, en dat blijkt onder andere wanneer je de dikte van het glas heel geleidelijk laat afnemen. Als je dat doet wordt het nog véél gekker: je spiegelbeeld wordt steeds zwakker, totdat er niets van overblijft; juist op dat moment kan iemand buiten jou in volle helderheid zien. Maak je de ruit langzaam nog weer dunner, dan doemt je spiegelbeeld weer op tot er een moment komt dat het glas perfect spiegelend lijkt. Op dat moment ziet de wandelaar buiten je niet meer.
Zo’n langzaam in dikte afnemende laag komen we overal tegen: olie op een waterplas, het vlies van een zeepbel. Vandaar de kleurige ringen die je daarin te zien krijgt. Bellen blazen is spelen om te leren. En theorie is niet van toepassing te scheiden: het bizarre gedrag van de ruit gebruiken we om het spiegelen van lenzen, brillen, en beeldschermen te onderdrukken. Als we een piek per lens krijgen, en een tientje per scherm, kunnen we weer 50 jaar natuurkunde betalen.
Verwonderwijs [fragment]
uit: De eekhoornformule : over weten en wetenschap - Vincent Icke

____