In sommige families circuleren oude dagboeken, of reisjournalen van oudooms, betovergrootouders, stokoude tantes uit de negentiende eeuw, geschriften die nooit uitgegeven zijn en het ook wel nooit zullen worden, en die vaak toch zulke kostelijke details uit het dagelijks leven van heel vroeger vertellen. Iemand speelde mij zo een familieboek in handen, op hoge leeftijd geschreven door een oudoom die geleefd heeft van 1831 tot 1925. Zó dicht staat de vorige eeuw dan ineens nog bij je. Oom bracht zijn jeugd in Winschoten door. Hij zegt dan bij voorbeeld dit: ‘Men kan zich thans ternauwernood meer voorstellen, hoe moeilijk het was vuur te maken. Daarom zorgden in de huishoudingen de keukenmeiden er voor, gelijk eertijds te Rome de Vestaalsche maagden, dat het keukenvuur nooit uitging. Gloeiende turfkolen werden des avonds ingerekend, dat wil zeggen met een dikke aschlaag overdekt, waaronder zij zachtkens bleven gloeien. Om een vlam te verkrijgen voor het aansteken van een kaars of lamp bediende men zich van zwavelstokken, die zuinigheidshalve in drieën of vieren gesplitst werden. In mijn verbeelding zie ik nog hoe onze tuinman, die onder het werk nu en dan rookte, zijn stompje goudsche pijp aanstak. In de linkerhand hield hij een vuursteen en een van boven geopende koperen koker, die gevuld was met verkoolde linnen lappen. Van den stalen vuurslag in zijn rechter sloeg hij dan tegen den vuursteen gloeiende ijzerdeeltjes af en wel zoo lang, totdat van de rondspattende vonken eenige op den tonder vielen en dien tot gloeiing brachten. Rekent men, dat men om op deze wijze vuur te maken gemiddeld vier minuten behoeft, dan blijkt hieruit van een belangrijke tijdsbesparing’, zegt oudoom. – Ja, met onze lucifers of aansteker zo dicht bij de hand, kun je je dat haast niet meer voorstellen, en ben je misschien toch maar blij, dat dat tegenwoordig zo gemakkelijk gaat. Normaal geld is voor ons ook zoiets gewoons. In het Groningen van omstreeks 1835 blijken nog allerlei muntsoorten van verschillende waarde gangbaar geweest te zijn. ‘Niet alleen guldens en rijksdaalders’, schrijft die oudoom, ‘maar ook nog Zeeuwse rijksdaalders, die van een dubbeltje meer golden dan de gewone, driegulden stukken en achtentwintigen, waarvan men onthouden moest dat 5 stuks een waarde hebben van zeven gulden. De herkenning dezer munten werd verzwaard, doordat ze veelal besnoeid en sterk afgesleten waren en de opschriften onleesbaar. Omstreeks 1840 zijn die munten ingetrokken en door de tegenwoordig gebruikelijke vervangen.’ – Petite histoire noemen we dat; maar het is wel de histoire van elke dag, en dat maakt het nu juist zo aardig: in de geschiedenisboeken krijg je dàt niet te lezen.
Petite histoire [fragment]
uit:
Radiolara : columns en lezingen - F.L. Bastet

____