zaterdag 26 juni 2010

Tegen de wereldkampioen Abalone

Je speelt tegen de wereldkampioen Abalone, en nou komt de truc: jij mag willekeurig honderd verschillende zetten proberen. Je krijgt honderd borden, plus de bijhorende balletjes. En honderd keer doe je maar wat – je kent Abalone immers helemaal niet. Omdat je de spelregels kent doe je vast veel zetten die niet zijn toegestaan. Deze partijen verlies je direct. Op alle zetten die wel zijn toegestaan antwoordt de wereldkampioen Abalone met een tegenzet. Waarschijnlijk is die wereldkampioen zo goed dat je op minstens negentig borden verliest; deze borden zet je meteen weer terug in de kast. Maar op een bord of tien hou je het nog een zetje vol. Je krijgt nu voor elk van die tien borden weer honderd mogelijkheden – je hebt nu duizend borden voor je neus, maar dat is allemaal prima te overzien, want duizend keer modder je maar wat aan. Duizend willekeurige zetten: je schuift eens een balletje naar links, een balletje naar rechts en je begrijpt geen biet van waar je mee bezig bent. Toch zijn er van die duizend borden waarschijnlijk wel weer een paar waarop je niet direct in de pan gehakt wordt. En zo gaat het spel verder: telkens mag je honderden willekeurige zetten doen en van die honderden zijn er altijd wel één of twee goed. Alle andere partijen – waarin je een slechte of ongeldige zet doet – verlies je, en die borden verdwijnen van het toneel.
Op een gegeven moment komt er iemand langs. Hij ziet jou tegenover de wereldkampioen Abalone zitten met een stuk of drie borden tussen jullie in – alle borden waarop je verloor heb je net weer weggehaald; zo naar deze drie borden kijkend krijgt de voorbijganger het idee dat je de wereldkampioen goed tegenstand biedt: al die duizenden en duizenden borden waarop je verloren hebt ziet hij immers niet.

uit: Kaas & de evolutietheorie - Bas Haring


____