Hoe dan ook, bij aanvang van de reis braken mijn metgezellen op een steen een paar kokosnoten om ons van een veilige reis te verzekeren. Natuurlijk werkte dit niet: halverwege het eiland schepte onze chauffeur, toen wij met veel te hoge snelheid door een dorp scheurden, een man die voor ons op de weg heen en weer waggelde. De man was zwaargewond, en omdat we ons in een Sinhala-dorp bevonden, was de menigte die zich onmiddellijk verzamelde de groep Tamil-indringers niet bepaald gunstig gezind. De situatie was onaangenaam, maar ik slaagde er, dankzij mijn Britse verschijning (gebroken wit Graham Greene-pak) en de perspapieren die mij door de London Metropolitan Police waren versterkt, in de crisis enigszins te bezweren. Daarvan was de plaatselijke agent zodanig onder de indruk dat hij ons voorlopig op vrije voeten stelde, en mijn reisgenoten, die behoorlijk in de rats hadden gezeten, waren mij voor mijn aanwezigheid en vlotte babbel meer dan dankbaar. Sterker nog, ze belden naar het hoofdkwartier van hun sekte, en verkondigden dat Sai Baba zelf bij hen aanwezig was, in de tijdelijke gedaante van mijn hoogst eigen persoon. Vanaf dat moment werd ik letterlijk vereerd en stonden ze niet toe dat ik iets droeg of mijn eigen eten haalde. Ondertussen kwam het bij me op na te vragen hoe het was afgelopen me de man die door ons was aangereden: hij was in het ziekenhuis aan zijn verwondingen bezweken. (…) Zo zag ik in het klein hoe de eerste de beste menselijke primaat – ikzelf – plotseling verlegen blikken van vrees en eerbied kon aantrekken, terwijl een andere menselijke primaat – het ongelukkige slachtoffer – in de welwillende bedoelingen van Sai Baba volkomen irrelevant bleek.
vertaald door Paul Witte
Het godsbewijs uit de schepping [fragment]
uit: God is niet groot : hoe religie alles vergiftigt - Christopher Hitchens

____