maandag 12 juli 2010

De parate leugen

In deze taxonomie van de onwaarachtigheid hoort ook het voorwenden dat je iets gelezen hebt, gehoord of gezien, waar je in werkelijkheid niets van af weet. ‘Schopenhauer was daar natuurlijk mordicus tegen,’ zegt iemand en te laat betrap ik me erop dat ik al achteloos heb meegeknikt. Tja, daar zal die Schopenhauer wel tegen geweest zijn, en het gesprek komt zo wel weer op een ander, veiliger onderwerp. Maar nee, mijn gespreksgenoot wil nu door op de Wereld als wil en voorstelling (van Schopenhauer dus). Zie ik dan niet dat de filosoof zich hier in een onhoudbare positie heeft gewerkt? Eigenlijk zie ik dat niet, nee, maar van mezelf begint me dat nu wel dwars te zitten. Er moet in dit gesprek gauw iets gebeuren, het moet een radicaal andere wending krijgen en ik grijp in: sociologisch gezien, poneer ik, is dit slechts een schijnprobleem.
Tony Giddens heeft daar al voorgoed mee afgerekend. Ik ben even vergeten dat ik Giddens ook alleen maar uit de verte ken, maar mijn gespreksgenoot heeft er vast en zeker nog nooit een letter van gelezen. De conversatie sijpelt weg in beiderlei onbenul.
Al dat gejok en gedraai over wat je wel of niet weet, gehoord hebt of gezien, dat is alweer een beschavingsziekte. Hoe meer de mensen zijn opgevoed, onderwezen en gevormd, des te hoger zijn hun verwachtingen van de eisen die anderen aan hen zullen stellen. Een ontwikkeld mens is iemand die tenminste de moeite neemt belezenheid te veinzen. De minder geschoolde standen proberen het niet eens.
Een tijd geleden, toen men zich zorgen begon te maken over het algemene ontwikkelingspeil van de Amerikaanse jeugd, verscheen er in de VS een boek waarin ongeveer alles stond opgesomd wat een mens volgens de auteurs eigenlijk behoort te weten. Omdat niemand alsnog zo’n boek uit zijn hoofd gaat leren werd het gelezen als een lijst van onderwerpen waarvan je moest verbergen dat je er niet van op de hoogte was. De parate kennis bleef gelijk, maar de parate leugen nam spectaculair toe.

Wat niet weet [fragment]
uit: Blijven kijken : korte stukken - Abram de Swaan


____